Centrale Raad van Beroep, 17-02-2009 / 07-3313 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BH4374

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag bijstand. Gezamenlijke huishouding. Niet is aangetoond dat sprake is van een door zakelijke verhoudingen beheerste huurrelatie. De feiten en omstandigheden duiden op een, in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en op een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijdt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-02-17
Publicatiedatum
2009-03-02
Zaaknummer
07-3313 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/3313 WWB



Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[appellante] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 27 april 2007, 06/614 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente De Wolden (hierna: College).



Datum uitspraak: 17 februari 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. K.B. Brouwer-Porte, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 6 januari 2009, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante heeft op 5 september 2005 een aanvraag ingediend om bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) in verband met haar voorgenomen verhuizing vanuit de gemeente Haren op 1 oktober 2005. Daarbij heeft appellante aangegeven dat zij zelfstandige woonruimte onderhuurt op het adres [adres] en dat op het adres ook de heer [B.] (hierna: [B.]) woont. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het College een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader is op 10 oktober 2005 een huisbezoek gebracht aan de woning van appellante en heeft op 9 november 2005 een gesprek met appellante plaatsgevonden. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 10 november 2005. Vervolgens heeft het College bij besluit van 29 november 2005 de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat zij een gezamenlijke huishouding voert met [B.].


1.2. Bij besluit van 4 april 2006 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 november 2005 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. De Raad stelt voorop dat hier ter beoordeling voorligt de periode vanaf de datum met ingang waarvan bijstand is aangevraagd (1 oktober 2005) tot en met de datum van het primaire besluit (29 november 2005).


4.2. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.


4.3. Vaststaat dat appellante en [B.] gedurende de hier te beoordelen periode beiden hun hoofdverblijf hadden op het adres [adres], zodat aan het eerste criterium is voldaan. Daaraan doet niet af dat in de optiek van appellante sprake was van een tijdelijke situatie omdat het oogmerk bestond door middel van een aanbouw bij de woning zelfstandige woonruimte te creëren die zij zou betrekken. Daarbij tekent de Raad aan dat kennelijk pas op 22 juni 2006 een bouwvergunning is aangevraagd voor het gedeeltelijk vergroten van de woning en dat die vergunning bij besluit van 22 maart 2007 is verleend.


4.4. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van wederzijds verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en samenhangende lasten. Indien van een zodanige financiële verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.


4.5. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de gedingstukken voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat gedurende de hier te beoordelen periode ook aan het criterium van wederzijds zorg was voldaan. Appellante heeft verklaard dat zij is verhuisd omdat zij moest worden geopereerd en dat [B.] bereid was haar te verzorgen. De operatie aan de rechterhand heeft op 7 oktober 2005 plaatsgevonden, waarna [B.] gedurende enige tijd voor appellante heeft gezorgd. Voorafgaand aan de verhuizing heeft appellante in de woning geschilderd en behangen en gezorgd voor een vaste telefoonaansluiting in de woning, waarvan zij de kosten draagt. [B.] betaalt de huur van de woning en de overige woonlasten. Voor zover zij daartoe in staat is verricht appellante huishoudelijke werkzaamheden, waaronder eten koken, en appellante en [B.] gebruiken gezamenlijk maaltijden. Voorts maakt appellante gebruik van de gehele woning en gebruikt zij haar eigen kamer alleen als slaapkamer. Appellante heeft verklaard dat zij met [B.] vrije tijd in de woning doorbrengt en dat zij wel eens samen tv kijken.


4.6. Naar het oordeel van de Raad is niet aangetoond dat sprake is van een door zakelijke verhoudingen beheerste huurrelatie. De onder 4.5 vermelde feiten en omstandigheden duiden op een, in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en op een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijdt. Daarop wijst ook de omstandigheid dat appellante en [B.] op 16 augustus 2005 een woonovereenkomst hebben gesloten, maar dat appellante de overeengekomen huurprijs van € 250,-- per maand niet heeft betaald en in plaats daarvan aankopen van [B.] op 8 oktober 2005 bij Praxis tot een bedrag van € 262,84 heeft betaald.


4.7. De Raad komt op grond van de overwegingen onder 4.3 tot en met 4.6 met de rechtbank tot de conclusie dat appellante en [B.] gedurende de hier te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellante was derhalve geen zelfstandig subject van bijstand en had om die reden geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Het College heeft derhalve bij besluit van 4 april 2006 de afwijzing van de aanvraag van appellante om bijstand naar de norm voor een alleenstaande terecht gehandhaafd. Daaruit vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


4.8. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2009.



(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans



(get.) R.B.E. van Nimwegen.



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.


IJ