Centrale Raad van Beroep, 27-02-2009 / 07-4480 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BH4521

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering met terugwerkende kracht. De Raad oordeelt dat, zo al moet worden aangenomen dat appellant aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan, het bestreden besluit op goede gronden berust. Appellant wist of kon weten dat hij in de in geding zijnde periodes te veel uitkering heeft ontvangen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-02-27
Publicatiedatum
2009-03-04
Zaaknummer
07-4480 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/4480 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 24 juli 2007, 07/2490 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 27 februari 2009

I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. G.J.A. van Dijk, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuijsen.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant ontvangt sedert 1990 een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Sedert 1 januari 1998 ontvangt hij, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Met ingang van laatstgenoemde datum is hij als zelfstandige gaan werken.


1.2. In overeenstemming met een rapport van de arbeidsdeskundige R. Bemelmans heeft het Uwv bij besluit van 6 november 2006 besloten de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd vast te stellen op 15 tot 25%, maar de uitkering onder toepassing van artikel 44 van de WAO over de jaren 1999, 2001, 2002 en 2003 uit te betalen als ware hij minder dan 15% arbeidsongeschikt. Tevens heeft het Uwv bij dat besluit met ingang van 1 januari 2004 de arbeidsongeschiktheid definitief vastgesteld op minder dan 15%.


2. Bij besluit op bezwaar van 14 maart 2007 heeft het Uwv het primaire besluit ongewijzigd gehandhaafd.


3.1. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat het met terugwerkende kracht verlagen of intrekken van een WAO-uitkering in beginsel in strijd is met de rechtszekerheid. Dit is evenwel anders indien appellant wist of redelijkerwijs kon weten dat met een verlaging of intrekking rekening moest worden gehouden dan wel dat het Uwv teveel uitkering heeft betaald ten gevolge van het niet naleven door appellant van de verplichting tijdig inlichtingen te verschaffen.


3.2. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant niet heeft voldaan aan de in de in artikel 80 van de WAO neergelegde inlichtingenplicht en vervolgens geoordeeld dat het Uwv niet in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel door de uitkering over de genoemde perioden met terugwerkende kracht niet uit te betalen en deze per 1 januari 2004 in te trekken.


3.3. Voorts heeft de rechtbank het door appellant, onder verwijzing naar het gestelde in de aan appellant gezonden brieven van het Uwv van 8 december 1999 en 27 mei 2004, gedane beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen. De eerste brief ziet slechts op het jaar 1998 en de tweede kan niet zodanig worden gelezen dat appellant niet meer verplicht was om een inkomensstijging van bijna € 10.000,-- niet bij het Uwv te melden.


3.4. Ten overvloede heeft de rechtbank overwogen dat appellant ook wist of had kunnen weten dat hij over de in geding zijnde periode te veel uitkering heeft genoten. Ook om deze reden heeft het Uwv kunnen besluiten de uitkering over de in geding zijnde periodes met terugwerkende kracht niet uit te betalen zonder in strijd te komen met het rechtszekerheidsbeginsel. Hetzelfde geldt voor de intrekking van de uitkering per

1 januari 2004.


4. Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Hij is van mening dat hij het Uwv steeds op de hoogte heeft gesteld van zijn inkomenspositie door middel van het inzenden van de inkomstenformulieren. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte vastgesteld dat hij niet aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan. Daaraan heeft hij toegevoegd dat hij op enig moment geen inkomstenformulieren meer heeft ingezonden omdat van de zijde van het Uwv te kennen was gegeven dat inzending alleen diende te geschieden bij wijziging van de inkomenspositie. Daar is in de onderhavige periode geen sprake van geweest. Hij wist of kon derhalve ook niet weten dat hij te veel uitkering ontving.


5.1. De Raad kan zich geheel verenigen met de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank onder 3.1 en 3.3, die hij dan ook tot de zijne maakt.


5.2. Voorts is de Raad van oordeel dat, zo al moet worden aangenomen dat appellant aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan, het bestreden besluit op goede gronden berust. Evenals de rechtbank is de Raad op grond van de gedingstukken van oordeel dat appellant wist of kon weten dat hij in de in geding zijnde periodes te veel uitkering heeft ontvangen. In dit verband wijst de Raad onder meer op de hiervoor vermelde brief van 8 december 1999, waarin appellant onder meer is meegedeeld dat zijn inkomsten over die over 1998 (vooralsnog) geen invloed hebben op de hoogte van zijn WAO-uitkering. Uit deze brief heeft appellant zonder meer kunnen opmaken dat zijn inkomsten van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn uitkering. Gezien de omstandigheid dat na 1998 zijn inkomsten, met uitzondering van die over 2001, aanzienlijk zijn toegenomen – over 1999 en 2001 is er in vergelijking met 1998 sprake van een verdubbeling van inkomsten en over de daaropvolgende jaren is er sprake van nog meer inkomsten - is de Raad van oordeel dat appellant wist of kon weten dat hij te veel uitkering ontving. De Raad is dan ook van oordeel dat het Uwv in het onderhavige geval met terugwerkende kracht toepassing heeft kunnen geven aan artikel 44, eerste lid, van de WAO, dat dwingend is geredigeerd. Gezien de omstandigheid dat ingevolge het tweede lid van dit artikel het geven van toepassing aan het eerste lid van dit artikel gedurende maximaal drie jaar plaatsvindt, is de Raad tevens van oordeel dat het Uwv met ingang van 1 januari 2004 de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op minder dan 15%.


5.3. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


6. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en G. van der Wiel en G.J.H. Doornewaard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2009.


(get.) D.J. van der Vos.


(get.) A.C. Palmboom.


KR