Centrale Raad van Beroep, 19-02-2009 / 07-5924 AW


ECLI:NL:CRVB:2009:BH4522

Inhoudsindicatie
Ontslag: met de diagnose van het syndroom van Korsakov is tevens gegeven dat appellant lijdt aan een chronische hersenaandoening, die gepaard gaat met geheugen- en gedragsstoornissen en die is aan te merken als ziekte. De Raad stelt vast dat het de korpsbeheerder tijdens de ontslagprocedure duidelijk had kunnen zijn dat appellant op medische gronden ongeschikt was voor het vervullen van zijn ambt. Dit betekent dat de korpsbeheerder niet bevoegd was appellant ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid op andere dan medische gronden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-02-19
Publicatiedatum
2009-03-04
Zaaknummer
07-5924 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2009/105 met annotatie van Mr P.J. Schaap
Uitspraak

07/5924 AW Q.


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 september 2007, 06/4802 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Korpsbeheerder van de politieregio [naam regio] (hierna: korpsbeheerder)


Datum uitspraak: 19 februari 2009


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2009. Namens appellant is verschenen mr. W.J. Dammingh, advocaat te Woerden. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Groen, werkzaam bij de politieregio [naam regio].


II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als medewerker publieksservice en al jaren bekend met een alcoholprobleem, waarover sinds 1994 regelmatig met hem door zijn leidinggevenden is gesproken. Tijdens een gesprek met zijn teamchef in april 2003 heeft appellant erkend dat bij hem (opnieuw) sprake is van overmatig alcoholgebruik. In augustus 2003 heeft de districtschef appellant hulp aangeboden, wat in het najaar van 2003 heeft geleid tot een opname van enkele weken in een ontwenningskliniek. In de periode van februari 2004 tot maart 2005 vonden diverse incidenten plaats, zoals (beschuldigingen van) bedreigingen en openbare dronkenschap van de vriendin van appellant.


1.2. Appellant, die sinds 9 maart 2004 weer volledig aan het werk was, is in het najaar van 2004 uitgevallen met een hernia. Na de operatie aan de hernia op 5 april 2005 is appellant in het weekend van 9 en 10 april 2005 zodanig psychisch in de war geraakt dat (kortdurend) opname in een psychiatrisch ziekenhuis is gevolgd. Tijdens de ziekenhuis-opname van appellant is zijn vriendin tot drie maal toe aangehouden wegens openbare dronkenschap. Na ontslag uit het ziekenhuis heeft op 20 april 2005 een gesprek met appellant plaatsgevonden, waarin hij desgevraagd zijn sleutels en pasjes van het werk heeft ingeleverd.


1.3. De korpsbeheerder heeft bij brief van 6 september 2005 aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt om hem op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) per 1 januari 2006 eervol ontslag te verlenen wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Appellant wordt verweten dat hij door zijn gedrag op de werkplek en in zijn privéleven het imago van de politie schaadt. De korps-beheerder stelt zich op het standpunt dat appellant, ondanks alle gesprekken en aanbod voor hulp, er niet in is geslaagd zijn gedrag in positieve zin bij te stellen en dat appellant daarom naar aard en aanleg ongeschikt is voor een politiefunctie.

Appellant heeft schriftelijk zijn bedenkingen tegen het ontslagvoornemen geuit. Een op 9 november 2005 gepland gesprek om de bedenkingen mondeling toe te lichten heeft niet plaatsgevonden omdat appellant op dat moment gedwongen was opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.


1.4. Bij besluit van 2 januari 2006 is aan appellant met ingang van 1 maart 2006 eervol ontslag verleend overeenkomstig het onder 1.3 vermelde voornemen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 24 april 2006.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Met een beroep op een uitspraak van de Raad van 19 maart 1992 (LJN AK5312, TAR 1992, 95) heeft de rechtbank geoordeeld dat bij appellant sprake is van een door alcoholgebruik veroorzaakte psychische defecttoestand, en dus niet van ongeschiktheid op medische gronden, omdat er een situatie is van langdurig alcoholmisbruik en niet is gebleken dat aan de gestelde diagnose van Korsakov een ernstige chronische ziekte ten grondslag heeft gelegen.


3. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant ongeschikt is voor zijn functie; wel in geschil is op welke grond die ongeschiktheid berust. Namens appellant is naar voren gebracht dat appellant ongeschikt is voor zijn functie op medische gronden, en dat dit ook ten tijde van het ontslagbesluit reeds het geval was, zodat het de korpsbeheerder niet vrij stond appellant op de in dat besluit gehanteerde grond te ontslaan.


3.1. De Raad stelt vast dat de situatie van appellant, bij wie als gevolg van jarenlang alcoholmisbruik uiteindelijk het syndroom van Korsakov is vastgesteld, zich onderscheidt van die in de in rechtsoverweging 2 genoemde uitspraak van deze Raad, waarin - nog slechts - sprake was van een alcoholprobleem en daarmee samenhangend disfunctioneren. De Raad ziet er niet aan voorbij dat dit laatste ook bij appellant jarenlang het geval kan zijn geweest, maar dat neemt niet weg dat met de diagnose van het syndroom van Korsakov tevens gegeven is dat appellant lijdt aan een chronische hersenaandoening, die gepaard gaat met geheugen- en gedragsstoornissen en die is aan te merken als ziekte.


3.2. Naar het oordeel van de Raad had voor de korpsbeheerder de opname van appellant in een psychiatrisch ziekenhuis in april 2005 aanleiding moeten zijn voor twijfel aan de oorzaak van de ongeschiktheid van appellant. Ten tijde van het voornemen appellant ontslag te verlenen moet de korpsbeheerder zijn gebleken van een verergering van de situatie van appellant toen hij niet in staat was gebruik te maken van de gelegenheid mondeling zijn bedenkingen toe te lichten wegens opname in een psychiatrisch ziekenhuis. In de bezwaarfase is vervolgens door de gemachtigde van appellant kenbaar gemaakt dat bij appellant inmiddels de diagnose Korsakov was gesteld. Weliswaar is pas in beroep ter onderbouwing van die mededeling een medische verklaring overgelegd maar de korpsbeheerder had indien hij aan die mededeling twijfelde om een dergelijke onderbouwing eerder moeten verzoeken.


3.3. De Raad stelt vast dat het de korpsbeheerder tijdens de ontslagprocedure duidelijk had kunnen zijn dat appellant op medische gronden ongeschikt was voor het vervullen van zijn ambt. Dit betekent dat de korpsbeheerder niet bevoegd was appellant ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid op andere dan medische gronden.


4. Het hier overwogene leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. Aangezien het gebrek dat aan het bestreden besluit kleeft eveneens kleeft aan het besluit van 2 januari 2006 en dit gebrek niet bij een nieuw besluit op bezwaar hersteld kan worden, zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat besluit herroepen.


5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.


6. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Nu de Raad het besluit van 2 januari 2006 zal herroepen wegens aan de korpsbeheerder te wijten onrechtmatigheid, is er aanleiding de korpsbeheerder op grond van artikel 7:15 in verbinding met artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar. Deze kosten worden begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 24 april 2006;

Herroept het besluit van 2 januari 2006;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.932,-, te betalen door de politieregio [naam regio];

Bepaalt dat de politieregio [naam regio] aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 355,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K. Zeilemaker en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2009.


(get.) J.C.F. Talman.


(get.) M.B. de Gooijer.


HD