Centrale Raad van Beroep, 19-02-2009 / 07-2470 AW + 08-2420 AW


ECLI:NL:CRVB:2009:BH4525

Inhoudsindicatie
Na FLO: geen uitbetaling van vakantie-uren, compensatie-uren en de spaaruren volgens de regeling 55+-regeling?
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-02-19
Publicatiedatum
2009-03-04
Zaaknummer
07-2470 AW + 08-2420 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/2470 AW + 08/2420 AW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op de hoger beroepen van:


[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),


tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2007, 05/2854 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 13 maart 2008, 07/510 (hierna: aangevallen uitspraak 2),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)


Datum uitspraak: 19 februari 2009


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft tegen beide aangevallen uitspraken hoger beroep ingesteld.


Het college heeft verweerschriften ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd, plaatsgevonden op 15 januari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.H. Schoorl, advocaat te Amsterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.T.M. van Doesum en F.S.A el Masry-Glerum, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Aan de kant van appellant is als getuige meegebracht en is gehoord [naam getuige], wonende te [plaatsnaam].


II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant, geboren in 1947, was werkzaam als [naam functie] bij het Afval Energie Bedrijf van de gemeente Amsterdam (hierna: AEB).


1.2. Bij brief van 5 oktober 2002 heeft appellant zijn belangstelling kenbaar gemaakt om gebruik te maken van de zogenoemde 55+-regeling, neergelegd in het Besluit leeftijd-bewust personeelsbeleid (hierna: regeling) en om informatie gevraagd. Hij werd uitgenodigd voor een gesprek daarover op 16 december 2002. Bij brief van 5 februari 2003 heeft het AEB aan appellant geantwoord op vragen die bij dat gesprek aan de orde waren geweest, toegespitst op de spaarvariant van de regeling; appellant is tevens gevraagd of hij nog geïnteresseerd is in deelname aan de spaarvariant van de regeling en dit mee te delen. Appellant zou vervolgens bij de afdeling P&O van het AEB mondeling zijn wens om aan de regeling deel te nemen hebben bevestigd. Hierover is niets schriftelijk vastgelegd.


1.3. Appellant is sinds 7 november 2003 niet meer in zijn functie werkzaam geweest omdat hij wegens het plegen van een strafbaar feit was gedetineerd.


1.4. Bij brief van 23 maart 2004 is namens appellant verzocht hem met ingang van 1 april 2004 functioneel leeftijdsontslag te verlenen. Dit verzoek is bij besluit van 15 april 2004 ingewilligd. Bij besluit van 20 september 2004 zijn op grond van artikel 607, tweede lid, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA) met appellant de vakantie-uren bij ontslag afgerekend. Tegen dat besluit heeft appellant bezwaar gemaakt en gevraagd hem ook compensatie-uren en de spaaruren volgens de regeling uit te betalen.


1.5. Bij het bestreden besluit van 27 april 2005 heeft het college het bezwaar van appellant ongegrond verklaard wat betreft de uitbetaling van de vakantie-uren en niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen het niet uitbetalen van compensatie-uren en spaaruren, omdat het besluit van 20 september 2004 over deze onderdelen niet handelt en ook niet behoefde te handelen. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.


1.6. Bij brief van 10 april 2006 heeft appellant het AEB verzocht over te gaan tot betaling van de onder 1.4 genoemde compensatie-uren en spaaruren. Bij besluit van 23 juni 2006 is meegedeeld dit verzoek niet in behandeling wordt genomen op de grond dat appellant niet als belanghebbende wordt beschouwd. Het bezwaar tegen dit besluit is bij het bestreden besluit van 20 december 2006 ongegrond verklaard. Ook tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 1 het beroep van appellant tegen het bestreden besluit van 27 april 2005 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit van 20 december 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven, een en ander met bepalingen over griffierecht en proceskosten.


3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.


3.1. De aangevallen uitspraak 1


3.1.1. Uit de gedingstukken blijkt dat het college bij zijn besluit van 20 september 2004 met verwijzing naar het aan appellant per 1 april 2004 verleende ontslag ambtshalve een eindafrekening heeft opgemaakt en besloten heeft dat appellant met toepassing van artikel 607, tweede lid, van het ARA recht heeft op uitbetaling van de helft van het aantal vakantie-uren waarop hij jaarlijks recht had. Gezien het karakter van het besluit als eindafrekening bij ontslag dient ervan te worden uitgegaan dat dit besluit een beslissing behelst ten aanzien van alle bij ontslag (eventueel) nog voor uitbetaling in aanmerking komende bezoldigingselementen. Daaraan doet niet af dat de eindafrekening van 20 september 2004 niet expliciet rept over compensatie-uren of spaaruren. Nu appellant in bezwaar heeft aangevoerd dat het college ten onrechte de compensatie-uren en spaaruren buiten de eindafrekening heeft gelaten, had het college op die bezwaren dienen te beslissen. De Raad is dan ook van oordeel dat het college bij het bestreden besluit van 27 april 2005 de bezwaren van appellant voor zover betrekking hebbend op uitbetaling van compensatie-uren en spaaruren ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevallen uitspraak 1 en het bestreden besluit van 27 april 2005 kunnen om die reden niet in stand blijven en dienen te worden vernietigd.


3.1.2. Nu de standpunten van partijen de Raad genoegzaam bekend zijn zal de Raad geen opdracht geven tot het nemen van een nieuw besluit maar zal hij het geschil zelf afdoen.


3.1.3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de uitkomst van de afrekening onbillijk is omdat hij, doordat hij eerst zijn compensatie-uren moest opnemen, niet toekwam aan het opnemen van zijn vakantie-uren, waardoor hij bij zijn ontslag nog een heel hoog aantal niet opgenomen vakantie-uren had. Onder normale omstandigheden zou appellant deze vakantie-uren voorafgaand aan zijn ontslag hebben opgemaakt, maar in zijn specifieke geval was dat niet mogelijk en wordt hij nu ernstig benadeeld, aldus appellant. De Raad concludeert hieruit dat appellant feitelijk erkent dat er geen voor vergoeding in aanmerking komend saldo aan compensatie-uren meer was bij het einde van zijn dienstverband - nog afgezien van het feit dat het ARA geen grondslag biedt om tot uitbetaling van niet opgenomen compensatie-uren over te gaan. Het bezwaar kan in zoverre niet slagen.


3.1.4. In artikel 607, tweede lid, van het ARA is imperatief bepaald dat bij ontslag maximaal de helft van het jaarlijks geldende aantal vakantie-uren kan worden uitbetaald. Dat appellant bij zijn ontslag nog een groot aantal vakantie-uren had staan om reden als hiervoor omschreven maakt dat niet anders. De bedoeling van die bepaling is immers dat die uren worden opgenomen. Dat appellant die wegens een misdrijf in zijn ambt begaan, ter voorkoming van ongevraagd (disciplinair) ontslag, op 23 maart 2004 om FPU-ontslag per 1 april 2004 heeft verzocht en daarom niet is toegekomen aan het voorafgaand aan zijn ontslag opnemen van zijn vakantie-uren, dient voor zijn rekening te blijven. Het bezwaar van appellant dient op dit punt ongegrond te worden verklaard.


3.1.5. Wat betreft de spaaruren blijkt dat niets is vastgelegd over deelname van appellant aan de regeling en dat geen spaarcontract is opgemaakt. Dit placht, naar ter zitting door de getuige is verklaard, in andere gevallen wel te geschieden. De Raad kan in het midden laten wat daarvan zij, nu in artikel 5, eerste lid, van het Besluit opbouw en opname spaaruren is bepaald dat de krachtens spaarcontract opgebouwde spaaruren in geval van ontslag geacht worden te zijn opgenomen vóór de datum van ingang van het ontslag. Dit betekent dat, ook als ervan wordt uitgegaan dat er wel spaaruren waren opgebouwd en vastgelegd, deze bij ontslag niet zullen worden uitbetaald. Redenen van dienstbelang om van het bepaalde in het eerste lid af te wijken zijn er niet, reeds nu het niet opnemen van de spaaruren te maken had met het voortijdige ontslagverzoek.


3.1.6. Met betrekking tot de grief van appellant dat het wel om uren gaat waarvoor hij heeft gewerkt merkt de Raad nog op dat aan appellant alle gewerkte uren zijn uitbetaald zoals dat gebeurde voordat hij 55 jaar werd. Ook in zoverre dient het bezwaar ongegrond te worden verklaard.


4.1. De aangevallen uitspraak 2


4.1.1. Appellant heeft in hoger beroep tegen deze uitspraak geen zelfstandige gronden aangevoerd. Hetgeen hij in dit hoger beroep wel heeft betoogd, heeft volledig betrekking op de aangevallen uitspraak 1 en is, in het bijzonder in 3.1.4 en 3.1.5, aan de orde gekomen.


4.1.2. De Raad komt dan ook tot het oordeel dat appellant bij de behandeling van het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 geen procesbelang meer heeft. Dit hoger beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.


5. In het vorenstaande ziet de Raad aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tegen het besluit van 27 april 2005 tot een bedrag van € 644,- en in het hoger beroep tegen uitspraak 1 ten bedrage van € 644,- in verband met kosten van rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Rechtdoende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak 1 van 15 maart 2007, 05/2854;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 27 april 2005 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover daarbij het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard;

Verklaart het bezwaar in zoverre ongegrond;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep ten bedrage van in totaal € 1.288,- aan kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellant het in eerste aanleg en in hoger beroep gestorte griffierecht van in totaal € 352,- vergoedt;

Verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 van 13 maart 2008, 07/510, niet-ontvankelijk.


Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en A. Beuker-Tilstra als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2009.


(get.) J.G. Treffers.


(get.) P.W.J. Hospel.


HD