Centrale Raad van Beroep, 20-02-2009 / 07-1567 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BH4555

Inhoudsindicatie
Intrekking WAO-uitkering, wegens geschiktheid eigen werk. Is intrekkingsdatum juist? Omvang geding. Zorgvuldig medisch onderzoek. Informatie behandelend arts leidt niet tot verdergaande beperkingen. Eerst in hoger beroep geschiktheid voor eigen werk deugdelijk onderbouwd. De rechtbank heeft ten onrechte niet beoordeeld of voltijdswerk beschikbaar was. Op het beroep dient inhoudelijk te worden beslist op gelijke wijze als in de te vernietigen aangevallen uitspraak.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-02-20
Publicatiedatum
2009-03-05
Zaaknummer
07-1567 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/1567 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 januari 2007, 06/2484 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 20 februari 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.M. Veldhuis, advocaat te Amsterdam, bij brief van 15 maart 2007 hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Bij brief van 24 september 2008 heeft het Uwv een rapport van 23 september 2008 van bezwaarverzekeringsarts K.T. Tan, een rapport van 18 september 2008 van bezwaar-arbeidsdeskundige C.J.T. Neefjes en een omschrijving van de functie van senior purser ingestuurd.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 januari 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Veldhuis, voornoemd. Namens het Uwv is verschenen mr. M.H.A.H. Smithuysen.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als fulltime senior purser toen zij op 16 januari 2001 voor deze werkzaamheden is uitgevallen wegens psychische klachten.


1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd is aan appellante met ingang van 15 januari 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

45 tot 55%.


1.3. Bij besluit van 17 oktober 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 1 november 2005 ingetrokken op de grond dat appellante per die datum geschikt wordt geacht voor haar eigen werk.


1.4. Het door appellante tegen het besluit van 17 oktober 2005 gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 15 februari 2006 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 17 oktober 2005 herroepen en bepaald dat de uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2006 wordt ingetrokken. Met betrekking tot de omvang van het geding heeft de rechtbank ten eerste overwogen dat blijkens het bezwaarschrift van

26 oktober 2005 het geschil in bezwaar de vraag betrof of het Uwv de uitkering van appellante met ingang van de juiste datum heeft ingetrokken. In bezwaar heeft appellante geen gronden aangevoerd tegen het oordeel van het Uwv dat zij geschikt moet worden geacht voor haar eigen werk. Naar het oordeel van de rechtbank dient de omvang van het geding op grond van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) daarom beperkt te worden tot de vraag of het Uwv de uitkering van appellante met ingang van de juiste datum heeft ingetrokken. Met betrekking tot die vraag is de rechtbank van oordeel dat het Uwv, onder andere gelet op de omstandigheid dat het contract van appellante per 1 januari 2006 is uitgebreid van 50% naar 67%, rekening had behoren te houden met de datum waarop appellante door haar werkgever feitelijk in de gelegenheid kon worden gesteld om haar werkzaamheden uit te breiden. Nu het Uwv dit niet heeft gedaan, is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is er nog maar één rechtens juiste beslissing mogelijk en om die reden heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2006 wordt ingetrokken.


3. In hoger beroep heeft appellante - kort samengevat - aangevoerd dat haar psychische beperkingen zijn onderschat. Het medisch onderzoek is onzorgvuldig geweest nu het Uwv geen informatie heeft opgevraagd bij de behandelend psychiater

J.M.G.C.M. van der Linden. Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij met ingang van 1 januari 2006 niet in staat is om voor 100% te hervatten in haar eigen werk heeft appellante een brief van 12 november 2007 van deze psychiater overgelegd.


4.1. Met betrekking tot de omvang van het geding overweegt de Raad allereerst als volgt.


4.2. De Raad is, ambtshalve toetsend aan het bepaalde in artikel 8:69 van de Awb, van oordeel dat de rechtbank een te beperkte toepassing heeft gegeven aan dat artikel en de grenzen van het geding in beroep onjuist heeft vastgesteld. De Raad is van oordeel dat wanneer een belanghebbende een beroepsgrond tijdig kenbaar maakt aan de rechtbank en het bestuursorgaan in de gelegenheid is geweest gemotiveerd op die grond te reageren, geen geschreven of ongeschreven rechtsregel er aan in de weg staat deze grond in de rechterlijke beoordeling te betrekken. Hieraan is naar het oordeel van de Raad voldaan met de bij het beroepschrift gevoegde brief van appellante van 14 maart 2006, waarin zij aangeeft dat zij zich niet in staat acht om haar werkzaamheden voor 100% te hervatten. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat niet is gebleken dat appellante met het aanvoeren van haar beroepsgrond gericht tegen de geschiktheid voor het eigen werk buiten de grenzen van het geschil is getreden of in een eerdere fase van de procedure welbewust ervan heeft afgezien bepaalde (mogelijke) gebreken van het bestreden besluit aan de orde te stellen.


4.3. Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak, behoudens de daarbij gegeven bepalingen over vergoeding van griffierecht en proceskosten, te worden vernietigd.


5.1. Nu het Uwv in de aangevallen uitspraak heeft berust, staat thans ter beoordeling of de WAO-uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2006 terecht is ingetrokken op de grond dat zij vanaf die datum weer geschikt te achten is voor haar eigen, voltijdse werk van senior purser.

5.2.1. Naar het oordeel van de Raad is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest en is terecht geoordeeld dat appellante met ingang van 1 januari 2006 geschikt te achten is voor haar eigen voltijdse werk van senior purser. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat verzekeringsarts K. Lindeboom dossierstudie heeft verricht en appellante heeft onderzocht tijdens een spreekuurcontact. Naar het oordeel van deze verzekeringsarts ondervindt appellante geen beperkingen meer ten aanzien van haar functioneren, behoudens het omgaan met veelvuldige deadlines of productiepieken, zoals is weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 14 oktober 2005. Na dossierstudie heeft bezwaarverzekeringsarts Tan in het rapport van 20 januari 2006 geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van het primaire medische oordeel. Met betrekking tot de tijdens hoger beroep overgelegde brief van psychiater Van der Linden van 12 november 2007 is de Raad van oordeel dat Tan in het rapport van 19 februari 2008 genoegzaam heeft gemotiveerd waarom deze informatie geen aanleiding geeft om verdergaande beperkingen aan te nemen.


5.2.2. Bij brief van 24 september 2008 heeft het Uwv een uitgebreide “Taak Functie belasting analyse” van de functie senior purser ingestuurd. In het rapport van 18 september 2008 heeft bezwaararbeidsdeskundige C.J.T. Neefjes nog een nadere analyse gegeven van de belastende factoren in deze functie. Aan de hand van deze stukken heeft bezwaarverzekeringsarts Tan in het rapport van 23 september 2008 geconcludeerd dat appellante per 1 januari 2006 geschikt te achten is om haar eigen voltijdse werk van senior purser uit te voeren. De Raad ziet (ook) in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan dit oordeel van deze bezwaarverzekeringsarts.


5.2.3. Voorts acht de Raad het aannemelijk dat is voldaan aan de eis in de jurisprudentie van de Raad dat het eigen werk van appellante, als senior purser, op de datum in geding bij haar eigen werkgever ([naam werkgever]) dan wel op de arbeidsmarkt voorhanden was. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellante op de datum in geding een dienstverband had voor 67% bij [naam werkgever] en dat de functie van senior purser bij [naam werkgever] ook wordt uitgeoefend volgens een rooster met een 100% contract. Voor zover appellante per de datum in geding niet voor 100% had kunnen hervatten bij de [naam werkgever], acht de Raad het zonder meer aannemelijk dat soortgelijk werk met eenzelfde belasting en beloning voorhanden was bij andere werkgevers.


6. De Raad is van oordeel dat de geschiktheid voor het eigen werk eerst met het in hoger beroep ingebrachte rapport van bezwaarverzekeringsarts Tan van 23 september 2008 deugdelijk is gemotiveerd. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte niet bij haar beoordeling betrokken of het eigen voltijdse werk van appellante op 1 januari 2006 nog beschikbaar was. Dit leidt de Raad tot de slotsom dat op het beroep inhoudelijk dient te worden beslist op gelijke wijze als in de te vernietigen aangevallen uitspraak.


7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden voor verleende rechtsbijstand begroot op € 644,-.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de gegeven beslissingen over vergoeding van griffierecht en proceskosten;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Herroept het besluit van 17 oktober 2005;

Bepaalt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellante met ingang van

1 januari 2006 wordt ingetrokken;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2009.


(get.) C.W.J. Schoor.


(get.) M.A. van Amerongen.


MH