Centrale Raad van Beroep, 03-03-2009 / 07-2762 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BH5473

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering omdat betrokkene niet de gevraagde gegevens heeft verstrekt waardoor niet kan worden vastgesteld of zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Betrokkene is in gebreke gebleven aan de hand van deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken inzicht te geven in haar financiële situatie over de periode voorafgaande aan de aanvraag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-03-03
Publicatiedatum
2009-03-17
Zaaknummer
07-2762 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/2762 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 30 maart 2007, 06/2072 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


[Betrokkene], destijds wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),


en


appellant


Datum uitspraak: 3 maart 2009


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Volleberg, werkzaam bij de gemeente Venlo. Betrokkene is niet verschenen.


Na de behandeling ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, zodat het onderzoek is heropend.


Omdat betrokkene met onbekende bestemming van haar laatstelijk bekende woonadres is vertrokken, heeft de Raad betrokkene voor de zitting uitgenodigd door middel van plaatsing van een advertentie in de Staatscourant.


Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 20 januari 2009, waar appellant zich wederom heeft laten vertegenwoordigen door C. Volleberg. Betrokkene is niet verschenen.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Betrokkene heeft op 8 februari 2006 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend en daarbij aangegeven dat zij haar bedrijf, een massagesalon, op 15 januari 2006 heeft beëindigd in verband met onvoldoende inkomsten. Bij brief van 24 februari 2006 heeft appellant betrokkene verzocht nadere gegevens te verstrekken, waaronder een deugdelijke en te verifiëren verklaring hoe zij vanaf 1 januari 2005 in de kosten van levensonderhoud heeft voorzien, bankafschriften, de boekhouding van haar bedrijf en de jaarstukken over 2005. De gegevens die betrokkene vervolgens heeft ingezonden waren volgens appellant niet compleet en riepen nieuwe vragen op, waarna appellant betrokkene per brief van 20 maart 2006 heeft verzocht alsnog de noodzakelijke informatie en bewijsstukken te verstrekken. Betrokkene heeft per brief van 30 maart 2006 op het verzoek van appellant gereageerd.


1.2. Bij besluit van 2 mei 2006 heeft appellant de aanvraag van betrokkene om bijstand afgewezen omdat betrokkene niet de gevraagde gegevens heeft verstrekt waardoor niet kan worden vastgesteld of zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Bij besluit van 24 oktober 2006 heeft appellant het door betrokkene gemaakte bezwaar tegen het besluit van 2 mei 2006 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 24 oktober 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door betrokkene overgelegde boekhouding. Voorts heeft de rechtbank mede op basis van de ter zitting afgelegde verklaring door betrokkene en haar moeder aannemelijk geacht dat betrokkene bedragen van haar moeder heeft geleend om in de kosten van levensonderhoud te voorzien. Hoewel is onderkend dat enkele bankafschriften ontbreken, verschaffen de door betrokkene overgelegde stukken naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzicht in haar financiële situatie om het recht op bijstand te kunnen vaststellen.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid (oud), van de WWB heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien recht op bijstand van overheidswege. In verband hiermee is het voor het beoordelen van het recht op bijstand als regel noodzakelijk inzicht te verkrijgen in de financiële situatie in de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode. Derhalve diende betrokkene inzichtelijk te maken hoe zij in de periode voorafgaande aan de aanvraag op 8 februari 2006 in de noodzakelijke kosten van bestaan heeft voorzien.


4.2. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat betrokkene in gebreke is gebleven aan de hand van deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken inzicht te geven in haar financiële situatie over de periode voorafgaande aan de aanvraag.


4.3. Volgens de overgelegde boekhouding, die enkel bestaat uit kasstaten, heeft betrokkene in haar bedrijf in 2005 een netto resultaat behaald van € 2.550,--. Dit resultaat staat in geen enkele verhouding tot de prognose, die in april 2005 is gemaakt aan de hand van de door betrokkene verstrekte cijfers en toelichtingen, dat het bedrijf in 2005 een resultaat van € 22.000,-- zal behalen. Als verklaring voor het verschil tussen de prognose en het behaalde resultaat heeft betrokkene ter zitting van de rechtbank opgegeven dat zij van medio mei tot begin augustus ziek is geweest, dat zij als gevolg van een gebroken voet in september 2005 gedurende tien weken niet heeft kunnen werken en dat het aantal klanten erg wisselend is geweest. Betrokkene heeft evenwel niet aan de hand van concrete en objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat zij vanwege ziekte en een ongeval gedurende lange perioden geen werkzaamheden heeft kunnen verrichten. De op de kasstaten vermelde inkomsten en uitgaven zijn niet onderbouwd met nota’s of andere bescheiden, terwijl die staten bovendien de nodige vragen oproepen. Zo is niet duidelijk waarom een van die staten de naam [G.] (de voornaam van betrokkene) vermeldt en op de overige de naam [A.] voorkomt. De door betrokkene verstrekte gegevens over de bedragen die zij in 2005 van haar moeder zou hebben ontvangen acht de Raad ontoereikend om ervan uit te aan dat betrokkene de gestelde bedragen daadwerkelijk heeft ontvangen. Voorts stelt de Raad vast dat van de gevraagde bankafschriften er nog steeds twee, waaronder een afschrift van de rekening bij de Postbank uit november 2005, ontbreken, terwijl uit de gedingstukken niet kan worden afgeleid dat betrokkene niet over die afschriften beschikte of dat zij getracht heeft vervangende exemplaren te verkrijgen. Betrokkene heeft evenmin duidelijkheid gegeven over de herkomst van de bedragen die zij per kas op haar bankrekening heeft gestort, waaronder de kasstortingen op 9 en 14 november 2005. De Raad is van oordeel dat de door appellant van betrokkene verlangde gegevens van belang waren om voldoende inzicht te krijgen in de financiële situatie van betrokkene.


4.4. Nu betrokkene de in het kader van haar aanvraag om bijstand op grond van artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting in onvoldoende mate is nagekomen, heeft appellant niet kunnen vaststellen of betrokkene ten tijde als hier van belang verkeerde in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11 van de WWB. Daaruit vloeit voort dat appellant bij het besluit van 24 oktober 2006 de weigering van bijstand terecht heeft gehandhaafd. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep van betrokkene tegen het besluit van 24 oktober 2006 dient ongegrond te worden verklaard.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2009.


(get.) Th.C. van Sloten.


(get.) C. de Blaeij.


IJ