Centrale Raad van Beroep, 11-03-2009 / 07-4867 ZW


ECLI:NL:CRVB:2009:BH5755

Inhoudsindicatie
Geen recht (meer) op ziekengeld ingevolge de Ziektewet, omdat betrokkene niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt is voor het verrichten van zijn arbeid. Terzake van het onderhavige ziektegeval dient als maatstaf te worden aangelegd de eigen arbeid als stikker en subsidiair de arbeid verbonden aan de functies die voor betrokkene in het kader van de WAO in 2004 als geschikt werden aangemerkt. Geen twijfel aan de zorgvuldigheid van de onderzoeken en de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-03-11
Publicatiedatum
2009-03-12
Zaaknummer
07-4867 ZW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/4867 ZW


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 juli 2007, 06/6239 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),


Datum uitspraak: 11 maart 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. D.P.F. Arens, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2008. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.


II. OVERWEGINGEN


1.Voor een uitgebreide weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.


2. Bij besluit van 30 juni 2006 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van 10 juli 2006 geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet, omdat hij niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt is voor het verrichten van zijn arbeid. Bij besluit van 21 november 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 juni 2006 ongegrond verklaard.


3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij betekenis toegekend aan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts G.J.G.M. van de Putten en de bezwaarverzekeringsarts A. Deitz, vervat in de rapportages van 30 juni 2006 en 20 november 2006.


4.1. De Raad overweegt als volgt.


4.2. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad ziet geen reden om te twijfelen aan de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen, die in hun rapportages blijk hebben gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de primaire verzekeringsarts beschikte over informatie van de cardioloog N.H.J. Pijls van 9 mei 2006, en dat de bezwaarverzekeringsarts nadere informatie heeft ingewonnen bij de cardioloog H. Penn.


4.3. Aangezien appellant in hoger beroep verwijst naar hetgeen hij reeds in eerdere instantie heeft aangevoerd en deze stellingen op goede gronden door het Uwv en de rechtbank zijn verworpen, volstaat de Raad te verwijzen naar het oordeel van de rechtbank. De Raad constateert daarbij dat appellant zijn stellingen noch in beroep noch in hoger beroep heeft onderbouwd met medische stukken die aanleiding zouden kunnen geven te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de onderzoeken en de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen.


4.4. De Raad verwijst verder nog naar het door de bezwaarverzekeringsarts Deitz in hoger beroep uitgebrachte rapport van 17 september 2007 waarin deze terecht heeft opgemerkt dat terzake van het onderhavige ziektegeval als maatstaf dient te worden aangelegd de eigen arbeid als stikker en subsidiair de arbeid verbonden aan de functies die voor appellant in het kader van de WAO in 2004 als geschikt werden aangemerkt.


4.5. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.


5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2009.


(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.


(get.) J. Verrips.


TM