Centrale Raad van Beroep, 25-02-2009 / 06-3270 WAO + 06-3235 ZW


ECLI:NL:CRVB:2009:BH6054

Inhoudsindicatie
Geen sprake van uitbreiding van de omvang van het geding in hoger beroep. Intrekking WAO-uitkering. Besluit 1. Werkzaamheden gedurende korte periode. FML heeft geen betrekking op de datum in geding. Geen medische beoordeling omtrent de geschiktheid van appellante voor de door haar verrichte werkzaamheden per genoemde datum. Besluit 2. Niet meer ongeschikt voor "haar arbeid".
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-02-25
Publicatiedatum
2009-03-16
Zaaknummer
06-3270 WAO + 06-3235 ZW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

06/3270 WAO + 06/3235 ZW



Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[appellante] (hierna: appellante),


tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 1 mei 2006, 05/5093 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 05/2904 (hierna: aangevallen uitspraak 2),


in de gedingen tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).



Datum uitspraak: 25 februari 2009



I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, tegen de aangevallen uitspraken hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.



II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante is op 25 oktober 2000 uitgevallen voor haar werk als telefoniste/administratief medewerkster. Bij besluit van 18 oktober 2001 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 24 oktober 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Appellante is met ingang van 27 november 2001 werkzaamheden als telefoniste/receptioniste gedurende 25 uur per week bij Van Gansewinkel gaan verrichten, aanvankelijk als uitzendkracht en later op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst die eindigde op 1 juli 2003. Bij besluit van 12 december 2001 heeft het Uw aan appellante meegedeeld dat de aan haar toegekende WAO-uitkering met ingang van 27 november 2001 ongewijzigd wordt vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, maar dat de uitkering vanaf laatstgenoemde datum onder toepassing van artikel 44 van de WAO niet tot uitbetaling komt aangezien de mate van arbeidsongeschiktheid als gevolg van haar verdiensten minder dan 15% bedraagt.


1.2. Op basis van de resultaten van een medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 3 augustus 2005 aan appellante meegedeeld dat haar WAO-uitkering met ingang van 1 juni 2003 wordt ingetrokken, op de grond dat zij in staat wordt geacht duurzaam inkomsten te verwerven, waardoor het verlies aan verdienvermogen minder dan 15% bedraagt. Bij besluit van 12 oktober 2005 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 augustus 2005 ongegrond verklaard.


1.3. Na beëindiging van voormelde arbeidsovereenkomst is aan appellante met ingang van 1 juli 2003 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Op 2 februari 2004 heeft appellante zich, vanuit de situatie dat zij een WW-uitkering ontving, ziek gemeld in verband met vermoeidheids- en spanningsklachten. Op 5 april 2004 is appellante gezien door de verzekeringsarts, die haar per die dag geschikt achtte voor de in het kader van de WAO geduide functies. Op basis hiervan heeft het Uwv bij besluit van 7 april 2004 aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 5 april 2004 geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Bij besluit op bezwaar van 29 juni 2005 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 april 2004 ongegrond verklaard.


2.1. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat uit de rapportage van de arbeidsdeskundige van 2 augustus 2005 en uit het verhandelde ter zitting blijkt dat appellante tot 1 juni 2003 in staat was de tot dan toe (oorspronkelijke) werkzaamheden als telefoniste/receptioniste gedurende 25 uur per week duurzaam te verrichten, dat de werkgever over de uitvoering daarvan tevreden was en dat, indien geen sprake zou zijn geweest van een wijziging van het takenpakket in de functie, het dienstverband ook niet per 1 juli 2003 zou zijn beëindigd. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht met ingang van 1 juni 2003 de WAO-uitkering van appellante heeft ingetrokken.


2.2. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, alsmede bepalingen gegeven over vergoeding van griffierecht en proceskosten. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit diende te worden vernietigd, omdat het Uwv in de fase van beroep de motivering van het bestreden besluit heeft gewijzigd door niet de in het kader van de WAO geduide functies, maar de functie van telefoniste/receptioniste, op basis waarvan haar een WW-uitkering is toegekend, als maatstaf arbeid aan te merken. De rechtbank heeft evenwel geen reden gezien om de (uiteindelijke) medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig of onjuist te achten en heeft op basis daarvan geoordeeld dat het Uwv er terecht vanuit is gegaan dat appellante met ingang van 5 april 2004 in staat was haar arbeid als telefoniste/receptioniste gedurende 25 uur per week te verrichten.


3.1. In hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 wordt namens appellante aangevoerd dat het Uwv niet met terugwerkende kracht haar WAO-uitkering had mogen intrekken, mede gelet op het feit dat bekend was dat het dienstverband een maand later is beëindigd. Voorts heeft appellante gesteld dat het Uwv had moeten onderzoeken of de gestelde verzwaring van het takenpakket aan het eind van het dienstverband, de toepassing van artikel 44 van de WAO wederom of nog rechtvaardigde.


3.2. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 wordt namens appellante aangevoerd dat van een onjuiste maatstaf arbeid is uitgegaan, omdat het takenpakket van de functie telefoniste/receptioniste aan het einde van het dienstverband sterk is gewijzigd en dat zij ten gevolge daarvan is uitgevallen. In haar visie is met de medische rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen onvoldoende onderbouwd dat zij voor deze functie geschikt wordt geacht en dat het medisch onderzoek daarom niet op deugdelijke wijze heeft plaatsgevonden.


06/3270 WAO


4.1. Allereerst ziet de Raad aanleiding om de omvang van het geding te bepalen. Het ter zitting door het Uwv verwoorde standpunt dat de grief van appellante met betrekking tot de intrekking van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht buiten de omvang van het geding valt omdat zij eerder alleen het uitkeringspercentage zou hebben bestreden, wordt door de Raad niet onderschreven. Naar het oordeel van de Raad wordt de omvang van het geding primair bepaald door het (hoger) beroepschrift. In dat verband wijst de Raad erop dat de inhoud en de strekking van het (hoger) beroepschrift niet anders kan worden begrepen dan dat appellante (ook) de intrekking van de WAO-uitkering in het geding wilde betrekken. Van een uitbreiding van de omvang van het geding in hoger beroep is, anders dan het Uwv betoogt, dan ook geen sprake.


4.2. In dit geding staat de Raad derhalve voor de beantwoording van de vraag of het Uwv terecht onder beëindiging van de toepassing van artikel 44 van de WAO de uitkering van appellante met ingang van 1 juni 2003 heeft ingetrokken omdat zij in staat wordt geacht duurzaam inkomsten te verwerven.


4.3. De Raad stelt vast dat aan het bestreden besluit 1 een verzekeringsgeneeskundige rapportage van de arts M. Oyman van 6 april 2005 ten grondslag ligt, die de beperkingen van appellante in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van dezelfde datum heeft omschreven, alsmede een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige D.Y. van Herk-van Wezel van 2 augustus 2005, die appellante per 1 juni 2003 voor minder dan 15% arbeidsongeschikt achtte in verband met haar praktische verdiensten uit de werkzaamheden als telefoniste/ receptioniste.


4.4. Naar het oordeel van de Raad kan het bestreden besluit 1, op basis van de daaraan ten grondslag liggende rapportages geen standhouden. In het onderhavige geval heeft het Uwv gedurende de periode van 27 november 2001 tot 1 juni 2003 (ongeveer 19 maanden) toepassing gegeven aan artikel 44 van de WAO. Anders dan in het geval waarin door een verzekerde gedurende drie jaar werkzaamheden zijn verricht en toepassing is gegeven aan de anticumulatiebepaling van artikel 44, kan het Uwv in het geval waarin de werkzaamheden gedurende een kortere periode zijn verricht zonder een voldoende medische onderbouwing niet tot de conclusie komen dat de door appellante verrichte werkzaamheden voor haar passend zijn en dat zij daarmee duurzaam inkomsten kan verwerven. Dat klemt temeer nu bij een eerder medisch onderzoek door de verzekeringsarts M.J. Gerritze op 27 januari 2003 is vastgesteld dat de functionele mogelijkheden van appellante niet zijn gewijzigd ten opzichte van eerder onderzoek en door deze voorts onder meer is aangegeven dat appellante haar werkzaamheden als telefoniste/receptioniste niet goed aankan en dat zij nog steeds niet meer dan vier uur per dag kan werken. Nu de door de arts Oyman opgestelde FML geen betrekking heeft op de in geding zijnde datum van 1 juni 2003 en overigens geen medische beoordeling omtrent de geschiktheid van appellante voor de door haar verrichte werkzaamheden per genoemde datum is gegeven, kan het bestreden besluit 1 naar het oordeel van de Raad wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand blijven. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak 1 dient te worden vernietigd.


06/3235 ZW


5.1. In dit geding staat de Raad voor de beantwoording van de vraag of het Uwv terecht vanaf 5 april 2004 aan appellante een ZW-uitkering heeft geweigerd.


5.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het laatstelijk door appellante vanaf 27 november 2001 verrichte werk als telefoniste/receptioniste gedurende 25 uur per week als haar arbeid in de zin van artikel 19 van de Ziektewet moet worden aangemerkt. Daarbij gaat het om het werk zoals appellante dit verrichte voor de wijziging van het takenpakket, hetgeen heeft geleid tot de beëindiging van het dienstverband per 1 juli 2003. In een rapport van 16 maart 2006 heeft de bezwaararbeidsdeskundige B.H.M. Bootsma de kenmerkende belasting van voormelde functie beschreven. De bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink heeft vervolgens in een rapport van 16 maart 2006 gemotiveerd uiteengezet dat appellante op en na 5 april 2004 in staat was om aan deze belastingeisen te voldoen. De Raad ziet geen reden om aan deze, mede op gegevens van de huisarts van appellante gebaseerde, conclusie te twijfelen. Hieruit volgt dat aangevallen uispraak 2, voorzover aangevochten, moet worden bevestigd.


6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv in het geding 06/3270 WAO met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 322,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 966,-, in totaal derhalve € 1.288,--.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


06/3270 WAO:

Vernietigt de aangevallen uitspraak 1;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluiten van 12 oktober 2005;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

06/3235 ZW:

Bevestigt aangevallen uitspraak 2, voorzover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.



(get.) Ch. van Voorst.



(get.) A. de Gier.




KR