Centrale Raad van Beroep, 20-03-2009 / 07-5892 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BH7300

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering. Niet-ontvankelijk verklaring bezwaar terecht. Niet gebleken dat appellant gedurende de bezwaartermijn in verband met zijn (psychische) gezondheidssituatie buiten staat was om een bezwaarschrift in te (laten) dienen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-03-20
Publicatiedatum
2009-03-26
Zaaknummer
07-5892 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/5892 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 september 2007, 06/4322

(hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 20 maart 2009


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Bij brief van 2 november 2007 heeft

mr. J.J.C. van Haren, advocaat te Utrecht, zich als gemachtigde gesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2009. Appellant is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F.A. Put.


II. OVERWEGINGEN


1. Bij besluit van 1 augustus 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 2 oktober 2006 herzien en nader bepaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.


2. Appellant heeft bij op 30 oktober 2006 gedagtekende brief bezwaar gemaakt. Bij besluit van 1 december 2006 (het bestreden besluit) heeft het Uwv appellants bezwaar tegen het besluit van 1 augustus 2006 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.


3. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dat beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank is blijkens die uitspraak van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Op grond van de door appellant overgelegde gegevens kan niet worden vastgesteld dat bij appellant sprake was van ziekte dan wel psychische onmacht als gevolg waarvan appellant niet in staat was tijdig bezwaar te maken tegen het besluit van 1 augustus 2006, aldus de rechtbank.


4. Ter onderbouwing van zijn andersluidende stelling heeft appellant in hoger beroep medische gegevens in geding gebracht.


5. De Raad oordeelt als volgt.


5.1. Appellant heeft op 4 februari 2009, derhalve met overschrijding van de termijn van tien dagen als bedoeld in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nadere stukken ingezonden. Nu de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad desgevraagd heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen het bij de behandeling betrekken van deze stukken, heeft de Raad geen aanleiding gezien de stukken buiten beschouwing te laten.


5.2. Vervolgens stelt de Raad vast dat, zoals tussen partijen niet in geschil is, het bezwaarschrift tegen het besluit van 1 augustus 2006 buiten de geldende bezwaartermijn van zes weken is ingediend.


5.3. Ten aanzien van een na afloop van de gestelde termijn ingediend bezwaarschrift blijft op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.


5.4. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding zoals bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Voor de Raad is niet komen vast te staan dat appellant gedurende de bezwaartermijn in verband met zijn (psychische) gezondheidssituatie buiten staat was om een - al dan niet voorlopig - bezwaarschrift in te (laten) dienen. De door appellant in hoger beroep overgelegde medische stukken bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Ook anderszins is niet kunnen blijken dat appellant terzake van de termijnoverschrijding geen verwijt treft.


6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


7. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R. Kruisdijk en

F.P. Dresselhuys-Doeleman als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van

T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2009.



(get.) J.W. Schuttel.



(get.) T.J. van der Torn.



KR