Centrale Raad van Beroep, 17-03-2009 / 07-5987 WWB + 07-5988 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BH7366

Inhoudsindicatie
Maatregel. De Raad acht voldoende aannemelijk dat de opstelling van appellant bij Randstad heeft geleid tot zijn uitschrijving voor werkzaamheden als oproepkracht. De gedingstukken bieden geen grond om aan te nemen dat hem terzake geen verwijt treft. Het College was dan ook gehouden de bijstand te verlagen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-03-17
Publicatiedatum
2009-03-23
Zaaknummer
07-5987 WWB + 07-5988 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/5987 WWB

07/5988 WWB



Centrale Raad van Beroep



Enkelvoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te ‘s-Hertogenbosch (hierna: appellanten),


tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 24 september 2007, 07/919 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellanten


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘s-Hertogenbosch (hierna: College).



Datum uitspraak: 17 maart 2009



I. PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2009. Voor appellanten is verschenen mr. M.L. Plas, advocaat te Utrecht. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Jacobs, werkzaam bij de gemeente ‘s-Hertogenbosch.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Voor een overzicht van de toepasselijke regelgeving verwijst hij naar de aangevallen uitspraak.


1.1. Appellanten ontvingen sinds 21 juni 2003 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2. Bij besluit van 14 november 2006 heeft het College de bijstand van appellanten met ingang van 1 december 2006 gedurende een maand verlaagd met 100% op de grond dat appellant door eigen toedoen werkloos is geworden.


1.3. Bij besluit van 29 januari 2007 heeft het College het bezwaar van appellanten gegrond verklaard en besloten de bijstand van appellanten met ingang van 1 december 2006 gedurende een maand te verlagen met 50%. Het College heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant zich niet meer beschikbaar stelde voor werkzaamheden op oproepbasis.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 januari 2007 ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij hebben appellanten betwist dat sprake is van schending van de arbeidsverplichtingen als neergelegd in artikel 9 van de WWB.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Vaststaat dat appellant door de casemanager van de gemeente ‘s-Hertogenbosch is verwezen naar Randstad Uitzendbureau B.V.(hierna: Randstad) omdat Campina Buttergold B.V. (hierna: Campina) oproepkrachten zocht, dat appellant zich heeft laten inschrijven als oproepkracht bij Randstad en vervolgens twee dagen als oproepkracht heeft gewerkt bij Campina, waarna hij door Randstad is uitgeschreven als oproepkracht. In het rapport van de casemanager van 14 november 2006 is vermeld dat appellant, na afloop van de twee gewerkte dagen, Randstad heeft laten weten dat hij ‘niet van plan was hier en daar voor een paar dagen te gaan werken’ en dat ‘het toch minimaal een halfjaar contract zou moeten zijn’. Randstad heeft appellant vervolgens uitgeschreven als oproepkracht. Nadat de casemanager appellant hiermee heeft geconfronteerd, heeft appellant kenbaar gemaakt ‘niet voor een paar dagen ergens te gaan werken en ook niet voor zo’n laag inkomen’. De Raad heeft in de gedingstukken geen steun gevonden voor de stelling van appellanten dat het rapport van 14 november 2006 geen juiste weergave bevat van het gesprek van appellant met Randstad dat heeft geleid tot zijn uitschrijving als oproepkracht en van het gesprek dat de casemanager op 14 november 2006 met hem voerde. Hierbij merkt de Raad op dat appellant wel erkent dat hij aan Randstad kenbaar heeft gemaakt dat hij liever een vaste baan heeft of ten minste een contract voor een half jaar. De Raad acht voldoende aannemelijk dat de opstelling van appellant bij Randstad heeft geleid tot zijn uitschrijving voor werkzaamheden als oproepkracht. De gedingstukken bieden geen grond om aan te nemen dat hem terzake geen verwijt treft. Het College was dan ook op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden de bijstand te verlagen.


4.2. Het gaat hier om een gedraging van de tweede categorie als bedoeld in artikel 25, aanhef en onder 2, sub b, van de Verordening Werk Wet werk en bijstand ‘s-Hertogenbosch 2006 (hierna: Verordening), omdat hier sprake is van het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. Op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening wordt in dat geval de bijstand verlaagd met 50% gedurende een maand. De in geding zijnde verlaging van de bijstand met 50% gedurende een maand is derhalve in overeenstemming met de zojuist genoemde bepalingen van de Verordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van appellanten het College aanleiding hadden moeten geven om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB en artikel 18, tweede lid, van de Verordening het percentage van de verlaging lager vast te stellen of de duur van de verlaging te bekorten. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad evenmin een dringende reden als bedoeld in artikel 22, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening, zodat het College niet bevoegd was van de verlaging van de bijstand af te zien.


4.3. Uit het onder 4.1 en 4.2 overwogene vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2009.



(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.



(get.) A. Badermann.





NW