Centrale Raad van Beroep, 05-03-2009 / 07/4238 AW


ECLI:NL:CRVB:2009:BH7544

Inhoudsindicatie
Benoeming met terugwerkende kracht. Gegeven de eerder besproken centrale rol van het gerechtsbestuur, het belang van appellante en het ontbreken van een duidelijk belang van verweerster bij het niet verlenen van deze terugwerkende kracht, is de Raad van oordeel dat de weigering van verweerster om de benoeming te laten terugwerken tot en met 1 januari 2006 in rechte geen stand kan houden. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat het hier gaat om een vrij beperkte terugwerkende kracht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-03-05
Publicatiedatum
2009-03-24
Zaaknummer
07/4238 AW
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2009/116
Uitspraak

07/4238 AW



Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


[appellante], (hierna: appellante),


en


de Kroon (hierna: verweerster)



Datum uitspraak: 5 maart 2009



I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft beroep ingesteld tegen het koninklijk besluit van 7 juni 2007 (hierna: bestreden besluit) betreffende de benoeming van haar tot vice-president.


Namens verweerster is een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W.E. Pors, advocaat te ’s-Gravenhage. Namens verweerster, in dit geding vertegenwoordigd door de minister van Justitie, is verschenen mr. J. Willems-Kroep, werkzaam bij het ministerie van Justitie.



II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante is met ingang van 1 februari 2002 benoemd tot raadsheer in het gerechtshof [gerechtshof] (hierna: gerechtshof) waar zij werkzaam werd in de strafsector. Na openstelling voor sollicitatie [in maart 2006] van enkele vacatures voor de functie van vice-president / kamervoorzitter in de strafsector van het gerechtshof heeft appellante verzocht haar in die functie te benoemen. Als ingangsdatum heeft appellante primair 1 januari 2003 genoemd en subsidiair een door verweerster te bepalen datum, onder toekenning van een waarnemingstoelage tot die datum.


1.2. Het bestuur van het gerechtshof heeft [in juli 2006] de aanbeveling gedaan appellante te benoemen tot vice-president met ingang van 1 januari 2006. Op 18 juli 2006 heeft de Raad voor de rechtspraak die aanbeveling, waarmee hij zich kon verenigen, gezonden aan de minister van Justitie. Op zijn voordracht is appellante bij koninklijk besluit van 4 september 2006 met ingang van 1 augustus 2006 in die functie benoemd. Het bezwaar van appellante tegen de ingangsdatum van de benoeming is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2. Appellante kan zich niet verenigen met de (gehandhaafde) ingangsdatum van haar benoeming. Zij acht voor die ingangsdatum van belang dat zij vanaf 1 januari 2003 de functie van kamervoorzitter vervuld heeft en dat in het organisatie- en personeelsplan van het gerechtshof aan het kamervoorzitterschap de rang en bezoldiging van vice-president verbonden is. De vacature voor de functie van vice-president had dus al per 1 januari 2003 opengesteld moeten worden. De nalatigheid van het gerechtsbestuur in deze kan door verweerster geredresseerd worden door haar te benoemen met ingang van 1 januari 2003, of eventueel per 1 oktober 2003, 7 december 2004 of enige andere datum gelegen vóór 1 augustus 2006. Appellante heeft ten slotte gewezen op toezeggingen die haar zouden zijn gedaan.

De kwestie van de waarnemingstoelage maakt geen onderdeel uit van dit geding.


3. Verweerster beroept zich op de in artikel 1e, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (WRRA) neergelegde procedure en de daarbij aan het bestuur van het gerechtshof toegekende positie. Deze past bij de regeling in de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet ro) dat dit bestuur is belast met de algemene leiding, de organisatie en de bedrijfsvoering van het gerechtshof. Het bestuur is dus onder meer belast met het nemen van beslissingen over het openstellen en vervullen van vacatures.

Naar aanleiding van het beroep is nader het standpunt ingenomen dat artikel 1e, tweede lid, van de WRRA weliswaar geen formeel verbod behelst op een ingangsdatum met terugwerkende kracht, maar is gewezen op de vaste praktijk om in beginsel geen terugwerkende kracht aan benoemingen te geven. Op deze praktijk wordt een uitzondering gemaakt in geval van een opvolgende benoeming waarbij buiten toedoen van de kandidaat een onevenredig lange benoemingsprocedure heeft plaatsgevonden. Daarbij wordt evenwel nimmer een ingangsdatum vastgesteld die gelegen is vóór de datum van openstelling van de vacature.


4. De Raad overweegt naar aanleiding hiervan als volgt.


4.1.1. Appellante baseert haar aanspraak op benoeming met ver(der)gaande terugwerkende kracht op toezeggingen van het bestuur van het gerechtshof. Zij heeft twee personen genoemd die deze toezeggingen ten tijde van haar overstap naar het gerechtshof kunnen bevestigen en heeft getuigenbewijs door hen aangeboden.


4.1.2. In de benoemingsprocedure van een rechterlijk ambtenaar als appellante is aan verschillende (bestuurs)organen een eigen rol toebedeeld met als sluitstuk een benoeming bij koninklijk besluit. Naar het oordeel van de Raad is met dit systeem niet verenigbaar dat verweerster gebonden zou worden door een toezegging door of namens het gerechtsbestuur dat benoeming zal plaatsvinden. Dit bestuur heeft ingevolge de wettelijke bepalingen weliswaar de belangrijke taak om een aanbeveling te doen van zo mogelijk drie kandidaten, maar daarmee niet een voor de benoeming beslissende taak. Dit brengt mee dat aan mogelijke toezeggingen van de zijde van het gerechtsbestuur in dit geding geen beslissende betekenis toekomt, zodat er ook geen aanleiding is om appellante in de gelegenheid te stellen de door haar genoemde getuigen te laten verklaren.


4.2. Verweerster is met appellante van oordeel dat artikel 1e, tweede lid, van de WRRA niet in de weg staat aan een benoeming (als hier aan de orde) met terugwerkende kracht. Verder is verweerster, naar het oordeel van de Raad terecht, van opvatting dat het bestuur van een gerecht een centrale rol vervult bij benoemingen als bedoeld in artikel 1e van de WRRA. Ingevolge de Wet ro heeft elk gerechtsbestuur immers de bevoegdheid om over de besteding van het aan het gerecht toegekende budget te beslissen. Gegeven zijn algemene taakopdracht is het daarom primair aan het gerechtsbestuur om te bepalen of en op welk tijdstip functies binnen zijn gezagsbereik (kunnen) worden vervuld. Onder deze omstandigheden kan de onder 3 genoemde vaste praktijk betreffende de ingangsdatum van benoemingen naar het oordeel van de Raad, nu geen rekening wordt gehouden met de positie van het gerechtsbestuur, dat op zijn beurt de belangen van zijn rechterlijke ambtenaren afweegt, niet op één lijn worden gesteld met een beleidsregeling die binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling blijft. Opgemerkt wordt dat verweerster niet heeft beargumenteerd waarom aan een benoeming (als hier aan de orde) in ieder geval geen terugwerkende kracht kan worden verleend tot een datum die is gelegen vóór die van de openstelling van een vacature door het gerechtsbestuur in de situatie waarin dat bestuur zelf een dergelijke datum heeft voorgesteld.


4.3.1. De Raad dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verweerster in de omstandigheden van het geval aanleiding heeft kunnen vinden om ten aanzien van appellante niettemin vast te houden aan de vaste praktijk.


4.3.2. Het gaat hier om een opvolgende benoeming van appellante die kennelijk in ieder geval op 1 januari 2006 volledig belast was met de door het bestuur van het gerechtshof opengestelde vacature van kamervoorzitter in de strafsector. Blijkens de aanbeveling van het bestuur van het gerechtshof kwam aan appellante, als de keuze op haar zou vallen, een benoeming toe met ingang van 1 januari 2006. Gegeven de eerder besproken centrale rol van het gerechtsbestuur, het belang van appellante en het ontbreken van een duidelijk belang van verweerster bij het niet verlenen van deze terugwerkende kracht, is de Raad van oordeel dat de weigering van verweerster om de benoeming te laten terugwerken tot en met 1 januari 2006 in rechte geen stand kan houden. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat het hier gaat om een vrij beperkte terugwerkende kracht. Het (gehandhaafde) benoemingbesluit is (in zoverre) immers genomen in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht.


4.3.3. Als met appellante wordt aangenomen dat zij (ook) al voor 1 januari 2006 volledig als kamervoorzitter heeft gefunctioneerd, is met betrekking tot haar verzoek om haar benoeming te laten ingaan vóór die datum in de eerste plaats van belang dat het gerechtsbestuur geen voorstel daartoe heeft gedaan. Daarbij komt dat appellante, zoals de stukken uit de periode 2002 tot en met 2005 laten zien, in de loop van de jaren meermalen (bij het bestuur van het gerechtshof) een benoeming tot vice-president aan de orde heeft gesteld zonder dat dit tot het door haar gewenste resultaat heeft geleid. Appellante heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het uitblijven van (een aanbeveling tot) haar benoeming als vice-president en heeft dus in feite berust in de situatie. Gelet hierop valt naar het oordeel van de Raad niet in te zien dat verweerster aanleiding had moeten zien een uitzondering te maken op de vaste praktijk die verder gaat dan onder 4.3.2 is overwogen.


5. Het vorenstaande brengt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Verweerster zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.


6. De Raad ziet tot slot aanleiding verweerster te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,- wegens kosten van juridische bijstand.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Draagt verweerster op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie);

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie) aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en J.Th. Wolleswinkel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2009.



(get.) H.A.A.G. Vermeulen.



(get.) I. Mos.




HD

Q