Centrale Raad van Beroep, 17-03-2009 / 07-5290 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BH8671

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Het College was op grond van artikel 54, derde lid, onder a, van de WWB bevoegd om tot intrekking van de bijstand over die periode over te gaan. Appellante had ten tijde in geding vier auto's op haar naam staan. Vaststaat dat de kentekens van de vier auto’s ten tijde in geding op naam van appellante hebben gestaan. Appellante heeft geen toereikend tegenbewijs geleverd waaruit kan worden afgeleid dat de betreffende vier auto’s niet tot het vermogen van appellante hebben behoord.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-03-17
Publicatiedatum
2009-03-30
Zaaknummer
07-5290 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/5290 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2007, 06/2354 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)


Datum uitspraak: 17 maart 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2009. Voor appellante is verschenen mr. Willering. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante ontving vanaf 21 oktober 1997 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2. Naar aanleiding van een onderzoek in het kader van het project “ Klant in Beeld” is het College gebleken dat vanaf de ingangsdatum van de uitkering een drietal auto’s van de merken [merk auto A], [merk auto B] en [merk auto C] alsmede vanaf 19 januari 1999 een [merk auto D] op naam van appellante geregistreerd hebben gestaan. Gelet hierop heeft het College nader onderzoek laten verrichten naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is appellante verzocht nadere inlichtingen over haar autobezit te verstrekken. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 juni 2005. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 16 augustus 2005 de bijstand van appellante vanaf 21 oktober 1997 in te trekken. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante ten tijde in geding, zonder daarvan aan het College melding te hebben gemaakt, de beschikking had over een viertal auto’s met een zodanige waarde dat zij over een groter vermogen beschikte dan gelet op de voor haar geldende vermogensgrens kan worden vrijgelaten.


1.3. Bij besluit van 28 maart 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 16 augustus 2005 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 maart 2006 ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Volgens vaste rechtspraak strekt de beoordeling van de Raad zich uit over de periode vanaf 21 oktober 1997 tot en met 16 augustus 2005.


4.2. Tussen partijen is in geschil of ten tijde hier van belang de auto’s van het merk [merk auto A], [merk auto B] en [merk auto D] tot het vermogen van appellante moeten worden gerekend. Voorts betwist appellante de waarde van deze drie auto’s, alsmede de waarde van de auto van het merk [merk auto C], van welke auto niet betwist wordt dat deze tot haar vermogen moet worden gerekend.


4.3. Vaststaat dat de kentekens van de vier auto’s ten tijde in geding op naam van appellante hebben gestaan. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van een betrokkene staat de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel van het vermogen van die betrokkene vormt waarover hij daadwerkelijk de beschikking heeft, dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in voldoende mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.


4.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante geen toereikend tegenbewijs heeft geleverd waaruit kan worden afgeleid dat de betreffende drie auto’s niet tot het vermogen van appellante hebben behoord. De enkele verklaring van appellante dat zij de auto’s op haar naam heeft gezet om een kennis een dienst te bewijzen en dat zij niet feitelijk heeft kunnen beschikken over de auto’s is als tegenbewijs ontoereikend. Het door appellante overlegde vrijwaringbewijs van de [merk auto D] van 16 februari 2006 dateert van na de periode hier in geding en wijst bovendien eerder in de richting van beschikkingsbevoegdheid te aanzien van deze auto.


4.5. De Raad is dan ook van oordeel dat naast de [merk auto C] ook de [merk auto A], de [merk auto B] en [merk auto D] in de periode in geding tot het vermogen van appellante moeten worden gerekend.


4.6. Evenals de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat het College de gezamenlijke waarde van de auto’s kan stellen op € 56.500,--. Het College heeft de waarde beoordeeld naar het jaar 2005, zodat mag worden aangenomen dat de waarde in de periode daaraan voorafgaand hoger lag. De stelling van appellante dat de auto’s in slechte staat zouden verkeren en dat het College wat de [merk auto D] betreft is uitgegaan van een onjuist model brengt de Raad bij gebreke aan een nadere onderbouwing niet tot een ander oordeel. Gezien de waarde van deze auto’s is ten tijde in geding onmiskenbaar sprake geweest van een vermogen van appellante boven de voor haar geldende vermogensgrens. Van het bezit van de auto’s heeft appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen mededeling aan het College gedaan. Als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting is aan appellante over de periode van 21 oktober 1997 tot en met 16 augustus 2005 ten onrechte bijstand verleend.


4.7. Dit betekent dat het College op grond van artikel 54, derde lid, onder a, van de WWB bevoegd was om tot intrekking van de bijstand over die periode over te gaan. Het College heeft in overeenstemming met zijn, door de Raad niet onredelijk geachte, beleid tot intrekking van bijstand besloten. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van intrekking had moeten afzien.


4.8. Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


4.9. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2009.



(get.) A.B.J. van der Ham.



(get.) B.E. Giesen.



RB