Centrale Raad van Beroep, 25-03-2009 / 08-4878 WW


ECLI:NL:CRVB:2009:BH8895

Inhoudsindicatie
Berekening dagloon. Eerst na afloop van de referteperiodeis komen vast te staan dat aan appellant een hogere garantietoeslag betaald had moeten worden. Derhalve was het meerdere waar appellant recht op had niet vorderbaar in het refertejaar.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-03-25
Publicatiedatum
2009-04-02
Zaaknummer
08-4878 WW
Procedure
Hoger beroep

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/4878 WW


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 juli 2008, 08/680 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 25 maart 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R.J.M.C.I. Janischka, regiojurist van CNV Publieke Zaak te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2009. Appellant, noch zijn gemachtigde na voorafgaande kennisgeving, zijn daar verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.H.J. van Gastel, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.


II. OVERWEGINGEN


1. In artikel 45, eerste lid van de Werkloosheidswet (WW) is -voor zover hier van belang- bepaald dat voor de berekening van de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, als dagloon wordt beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangifte tijdvak voorafgaande aan het aangifte tijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid is ingetreden, verdiende. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld. Met deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit Dagloonregels Werknemersverzekeringen (hierna: het Besluit) bedoeld.


1.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit wordt de werknemer voor de toepassing van dit besluit geacht zijn loon te hebben genoten in een aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. Ingevolge het vierde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, wordt onder loon mede begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Voor de toepassing van dit besluit wordt de werknemer geacht dit loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarin het vorderbaar is geworden.


1.2. In artikel 3, eerste lid van het Besluit is bepaald dat het dagloon de uitkomst is van de volgende berekening: (A-B-C) + D + E)/261, waarbij:

A staat voor het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten;

B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer onder die titel in de volledige aangiftetijdvakken in het refertejaar heeft genoten;

C staat voor de bedragen die de werknemer in de volledige aangiftetijdvakken in het refertejaar onder die titel heeft genoten aan uitkeringen die het karakter hebben van een extra periodiek salaris;

D staat voor het bedrag dat de werknemer in het refertejaar heeft opgebouwd aan vakantiebijslag;

E staat voor het bedrag dat de werknemer in het refertejaar heeft opgebouwd aan uitkeringen als bedoeld onder C.


2. Appellant was sedert 1 mei 1979 werkzaam bij het [naam werkgever]. Met ingang van 1 juni 2007 heeft appellant geen werkzaamheden meer verricht en per 1 september 2007 is appellant eervol ontslagen. Het Uwv heeft de referteperiode bepaald op de periode 1 juni 2006 tot 1 juni 2007 en aan appellant bij besluit van 26 september 2007 ingaande 3 september 2007 een uitkering ingevolge de WW toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op € 135,50. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 21 december 2007 ongegrond verklaard.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.


4. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant kan zich niet vinden in de hoogte van het vastgestelde dagloon aangezien vaststaat dat hij in de referteperiode recht had op een hogere garantietoeslag dan zijn toenmalige werkgever hem in die periode heeft uitbetaald.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1. De Raad stelt vast dat de referteperiode 1 juni 2006 tot 1 juni 2007 niet in geding is. Wel in geding is het in die periode verdiende loon naar aanleiding waarvan het dagloon van appellant is berekend. Volgens opgave van de werkgever heeft appellant in de referteperiode € 34.930,35 bruto loon genoten. Gedeeld door 261 komt dat, geïndexeerd naar de datum 1 juli 2007, neer op een bruto dagloon van € 135,50. Appellant heeft in beroep nogmaals naar voren gebracht dat de loonopgave van het genoten loon met terugwerkende kracht is hersteld. Door het ontbrekende deel van de garantietoelage met terugwerkende kracht te betalen was het genoten loon in de referteperiode hoger, waardoor er sprake dient te zijn van een hoger dagloon. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat voor de beantwoording van de vraag hier in geding uitsluitend van belang is het loon dat appellant volgens opgave van zijn werkgever in de referteperiode daadwerkelijk heeft genoten. Nabetalingen die weliswaar zien op de referteperiode, maar na afloop van die referteperiode zijn uitbetaald, wat daarvan overigens ook de reden is, kunnen gelet op het bepaalde in het hierboven onder 1.1. deels weergegeven artikel 2 van het Besluit, niet betrokken worden in een dagloonberekening als hier aan de orde.


5.2. Ten aanzien van het namens appellant gedane beroep op artikel 2, vierde lid van het Besluit merkt de Raad op dat eerst na afloop van de referteperiode, met de brief van

23 augustus 2007, is komen vast te staan dat aan appellant een hogere garantietoeslag betaald had moeten worden. Derhalve was het meerdere waar appellant recht op had niet vorderbaar in het refertejaar.


5.3. Gelet op het vorenoverwogene treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5.4. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009.



(get.) R.C. Schoemaker.



(get.) R.B.E. van Nimwegen.



IA