Centrale Raad van Beroep, 19-03-2009 / 08-623 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2009:BH9354

Inhoudsindicatie
Niet-ontvankelijkverklaring. PUR is tegemoetgekomen aan bezwaar. Geen zelfstandig procesbelang.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-03-19
Publicatiedatum
2009-04-07
Zaaknummer
08-623 WUBO
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/623 WUBO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


en


de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)



Datum uitspraak: 19 maart 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 13 december 2007, kenmerk BZ 7607, JZ/Q60/2007 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2009. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.


II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Bij besluit van 1 juni 2005 heeft verweerster aan appellant ingaande 1 september 2004 als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet en enkele voorzieningen toegekend. Namens appellant is hiertegen als bezwaar aangevoerd dat ingevolge het binnen de Pensioen- en Uitkeringsraad geldende, interne doorverwijzingsbeleid zijn eerder al ingediende aanvragen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de WUV) tevens als aanvragen ingevolge de Wet hadden dienen te worden aangemerkt en dat daarom de toeslag en voorzieningen met toepassing van artikel 40, tweede lid, van de Wet met terugwerkende kracht toegekend hadden moeten worden. Dit bezwaar is bij besluit van 8 mei 2006 ongegrond verklaard onder overweging, kort gezegd, dat een doorverwijzing hier niet aan de orde kon komen nu de eerdere aanvragen met zeer goede reden specifiek op de toepassing van de WUV waren gericht. Tegen dit besluit is namens appellant beroep ingesteld bij deze Raad, welk beroep is geregistreerd onder nr. 06/3692 WUBO.


1.2. Hangende de behandeling van het onder 1.1 vermelde beroep is namens appellant bij verweerster een verzoek gedaan om het in dat beroep bestreden besluit met toepassing van artikel 61, derde lid, van de Wet in zoverre te herzien dat alsnog aan de daarin vervatte toekenning terugwerkende kracht wordt verleend. Dit verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 21 december 2006, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat geen sprake is van daartoe nopende nieuwe feiten of omstandigheden.


1.3. Bij uitspraak van heden heeft de Raad het onder 1.1 vermelde beroep van appellant gegrond verklaard en het besluit van verweerster van 8 mei 2006 vernietigd voorzover betreffende de daarin vervatte ingangsdatum en voorts die ingangsdatum met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald op

1 februari 2003.


2. De Raad ziet zich vooreerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag of met het nu voorliggende beroep enig zelfstandig procesbelang is gediend.

Die vraag beantwoordt de Raad op de navolgende gronden ontkennend.


2.1. Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen met zich brengt dat de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of door appellant feiten en omstandigheden in het geding zijn gebracht die aan verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw daglicht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.


2.2. De bij het verzoek om herziening en in bezwaar tegen de afwijzing daarvan aangevoerde gronden komen geheel overeen met hetgeen in beroep ten aanzien van het besluit van verweerster van 8 mei 2006 is aangevoerd, welke gronden derhalve ten volle - derhalve de onder 2.1 vermelde marginale toetsing overstijgend - bij de beoordeling van dat beroep in aanmerking zijn genomen. Bovendien hebben die gronden geleid tot vernietiging van dat besluit en tot een zelf voorzien in de zaak door de Raad op de wijze als hiervoor onder 1.1 weergegeven.


3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het ingestelde beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.


4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het beroep niet-ontvankelijk.


Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2009.


(get.) A. Beuker-Tilstra.


(get.) I. Mos.


HD