Centrale Raad van Beroep, 17-03-2009 / 07-5087 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BH9982

Inhoudsindicatie
Buiten behandeling stelling aanvraag om bijstand. Appellant heeft niet tijdig de gevraagde gegevens met betrekking tot zijn bank- en girorekening overgelegd. Naar het oordeel van de Raad heeft het College zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze gegevens van wezenlijk belang waren voor een goede beoordeling van appellants financiële positie en daarmee van zijn recht op bijstand. Het faillissement van appellant doet hieraan niet af, reeds omdat dit ten tijde hier van belang nog niet was afgewikkeld. De aan appellant geboden hersteltermijn kan niet als onredelijk worden aangemerkt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-03-17
Publicatiedatum
2009-04-06
Zaaknummer
07-5087 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2009, 121
Uitspraak

07/5087 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2007, 7/2215 en 7/1776 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam (hierna: College).


Datum uitspraak: 17 maart 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.C. de Jong, advocaat te Schiedam, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2009. Appellant is verschenen met bijstand van mr. D. Hogenboom, kantoorgenoot van mr. De Jong. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. S. van Gent, werkzaam bij de gemeente Schiedam.


II. OVERWEGINGEN


1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.


1.1. Na afloop van detentie in Duitsland heeft appellant zich op 1 november 2006 gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op dat moment verkeerde hij - na beëindiging van een eerdere schuldsaneringsregeling - in staat van faillissement.


1.2. Naar aanleiding van zijn aanvraag is appellant uitgenodigd voor een intakegesprek op 15 november 2006. Bij de uitnodiging is aangegeven welke bescheiden appellant diende mee te nemen. Omdat hij deze niet bij zich had, is hem bij brief van 16 november 2006 een hersteltermijn geboden tot 24 november 2006.


1.3. Bij besluit van 29 november 2006 heeft het College de aanvraag om bijstand buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant niet binnen de gestelde termijn alsnog de gevraagde gegevens heeft overgelegd.


1.4. Bij besluit van 13 april 2007 heeft het College het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is in hoofdzaak overwogen dat appellant heeft verzuimd de gevraagde afschriften van zijn bankrekening en een bewijs van opheffing van zijn girorekening in te leveren en vóór het verstrijken van de hersteltermijn ook niet anderszins met de gemeente contact heeft opgenomen.


2. Bij de aangevallen uitspraak - voor zover hier van belang - heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van appellant ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant dit onderdeel van de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. In artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.


4.2. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting verwijt het College appellant vooral dat hij niet tijdig de gevraagde gegevens met betrekking tot zijn bank- en girorekening heeft overgelegd. Naar het oordeel van de Raad heeft het College zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze gegevens van wezenlijk belang waren voor een goede beoordeling van appellants financiële positie en daarmee van zijn recht op bijstand. Het faillissement van appellant doet hieraan niet af, reeds omdat dit ten tijde hier van belang nog niet was afgewikkeld.


4.3. Mede gelet op de aard en de beperkte omvang van de gevraagde stukken kan de aan appellant geboden hersteltermijn, hoewel kort, niet als onredelijk worden aangemerkt. Het gaat hier om administratieve bescheiden waarover een betrokkene in het algemeen onmiddellijk kan beschikken. Indien dit in het geval van appellant anders was, bijvoorbeeld omdat hij in staat van faillissement verkeerde, had het op zijn weg gelegen zich binnen de gestelde termijn tot het College te wenden met een verzoek om uitstel en - zo nodig - hulp bij het benaderen van de betrokken financiële instellingen en/of de curator. Blijkens de rapportage van de behandelend ambtenaar heeft appellant echter in het geheel niets van zich laten horen. Appellant heeft wel gesteld dat hij tijdig contact heeft opgenomen, maar daarvoor is geen begin van bewijs aanwezig. Evenmin zijn gronden naar voren gekomen om deze nalatigheid van appellant te verontschuldigen. De enkele omstandigheid dat hij een maand tevoren uit detentie was ontslagen is daarvoor niet voldoende.


4.4. Voor zover appellant na het primaire besluit tot buiten behandeling laten van zijn aanvraag alsnog gegevens heeft overgelegd, behoefde het College daaraan volgens vaste rechtspraak geen betekenis toe te kennen. Van feiten of omstandigheden die aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken is niet gebleken. In dit verband verwijst de Raad naar hetgeen reeds onder 4.3 is overwogen.


4.5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking. Bij deze uitkomst is voor de door appellant gevraagde schadevergoeding geen plaats.


5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2009.