Centrale Raad van Beroep, 01-04-2009 / 07-2957 WAO + 07-4131 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BI0078

Inhoudsindicatie
Met nader besluit niet geheel tegemoet gekomen. Herziening WAO-uitkering. De Raad ziet in hetgeen door appellant in hoger beroep naar voren is gebracht onvoldoende aanleiding om de medische onderbouwing niet te volgen. Anders dan de rechtbank is de Raad niet overtuigd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van appellant met betrekking tot torderen en (kortcyclisch) buigen. Onvoldoende functies resteren. Proceskosten eerste aanleg. Proceskostenveroordeling hoger beroep. Het Uwv zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-04-01
Publicatiedatum
2009-04-16
Zaaknummer
07-2957 WAO + 07-4131 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/2957 WAO + 07/4131 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 6 april 2007, 06/1924 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 1 april 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.J. van der Woude, advocaat te Zutphen, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2009. Namens appellant is mr. Van der Woude verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als lasser toen hij op 19 februari 2002 uitviel wegens rugklachten. Bij einde wachttijd, 18 februari 2003, is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.


1.2. In verband met een herbeoordeling op basis van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is appellant op 16 december 2005 gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts N. Klein. De verzekeringsarts komt in zijn rapport van 17 december 2005 op basis van dossierstudie, de anamnese en eigen onderzoek tot de conclusie dat appellant als gevolg van chronische aspecifieke rugklachten, discopathie en rouwreactie, enige beperkingen heeft. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Op basis van deze FML heeft de arbeidsdeskundige J.J.C. Huiberts na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) blijkens zijn rapport van 9 februari 2006 vijf functies geselecteerd en het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 10%.


1.3. Bij besluit van 22 februari 2006 heeft het Uwv de aan appellant toegekende WAO-uitkering, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, met ingang van 23 april 2006 ingetrokken.


1.4. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De bezwaarverzekeringsarts A. Laros komt in zijn rapport van 7 juli 2006, op basis van dossierstudie, tot de conclusie dat er geen medische argumenten zijn om van het primaire medische oordeel af te wijken. De bezwaararbeidsdeskundige G. Huisman heeft op 11 juli 2006 gerapporteerd dat één sbc-code, die bij de primaire beoordeling is gebruikt, moet vervallen en dat dit geen consequenties heeft voor de vastgestelde resterende verdiencapaciteit.


1.5. Bij besluit van 13 juli 2006 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 februari 2006 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft de medische grondslag van bestreden besluit 1 onderschreven. De rechtbank is evenwel tot de conclusie gekomen dat dit besluit berust op een ondeugdelijke arbeidskundige grondslag omdat pas in beroep een volledige toereikende arbeidskundige toelichting is gegeven. De rechtbank heeft echter geen aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 in stand te laten, omdat de regeling van de maximering van de urenomvang van de maatman zoals opgenomen in de artikelen 9 en 10 van het Schattingsbesluit 2004 verbindende kracht mist. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven over de vergoeding van de proceskosten en griffierecht.


3. In hoger beroep houdt appellant zijn opvatting staande dat zijn beperkingen niet volledig in de FML zijn opgenomen. Voorts is appellant van mening dat de geduide functies niet geschikt zijn voor hem. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een verklaring van behandelend psychiater F. Kaya overgelegd. Tot slot stelt appellant dat de rechtbank het Uwv in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft veroordeeld tot een bedrag van € 322,- aan proceskosten. Gelet op hetgeen de rechtbank bij de motivering in haar uitspraak heeft aangegeven, 2 punten voor rechtsbijstand met wegingsfactor 1, had het Uwv veroordeeld moeten worden tot een bedrag van € 644,-.


4.1. Hangende het hoger beroep heeft het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij besluit van 4 juli 2007 (hierna: bestreden besluit 2) bestreden besluit 1 gewijzigd, in die zin dat de WAO-uitkering van appellant per 23 april 2006 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Aan deze wijziging ligt de uitspraak van de Raad van 2 maart 2007, LJN AZ9652, ten grondslag waarin de maximeringsbepalingen betreffende de maatman van het Schattingsbesluit onverbindend zijn verklaard.


4.2. De Raad stelt vast dat met het bestreden besluit 2 niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant. Daarom zal dit besluit met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de onderhavige beoordeling worden betrokken.


4.2.1. Ten aanzien van bestreden besluit 2 stelt de Raad vast dat met dit besluit geen wijziging is gebracht in de medische onderbouwing van de schatting per 23 april 2006.


5.1. Aan de Raad ligt de vraag voor of de rechtbank op goede gronden de medische beoordeling van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts heeft gevolgd. De Raad ziet in hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep naar voren is gebracht onvoldoende aanleiding om de medische onderbouwing van bestreden besluit 2 niet te volgen. De Raad is van oordeel dat de beperkingen van appellant door de verzekeringsarts Klein na een zorgvuldig medisch onderzoek zijn vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts Laros heeft appellants belastbaarheid in de bezwaarfase opnieuw bezien en heeft de door de verzekeringsarts vastgestelde fysieke en psychische

beperkingen onderschreven. Naar aanleiding van de in hoger beroep overgelegde brief van psychiater Kaya van 2 september 2007 merkt de Raad op, dat appellant bij deze psychiater eerst per 14 september 2006 in behandeling is gekomen, dus ruim na de datum die hier in geding is. De brief biedt ook overigens geen aanknopingspunten om de beperkingen zoals die door de verzekeringsartsen zijn aangenomen voor onjuist te houden.


5.2. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de in bezwaar resterende functies voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn. Aan de schatting liggen ten grondslag de functies van vleeswarenmaker, slachter en visverwerker (sbc-code 271070), productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) en wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050). Als reservefunctie is de functie magazijn, expeditiemedewerker (sbc-code 111220) geduid.


5.3. De Raad is, anders dan de rechtbank, er niet van overtuigd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van appellant, zoals vastgesteld in de FML van 6 januari 2006. De functie van vleeswarenmaker, slachter en visverwerker (sbc-code 271070) kent een belasting op het onderdeel torderen. In het Formulier Resultaat Functiebeoordeling is de belasting omschreven als: tijdens acht werkuren 150 maal ongeveer 30 graden achtereen. In de FML is aangegeven dat appellant tot ongeveer 30 graden kan torderen, terwijl uit de gebruikershandleiding CBBS volgt dat daarbij wordt uitgegaan van een frequentie van 1 maal per minuut (60 maal per uur). In de Notities Functiebelasting van 6 februari 2006 is toegelicht dat de frequentie van torderen weliswaar wordt overschreden, maar de mate waarin niet. De bezwaar-verzekeringsarts Laros heeft daaromtrent in de rapportage van 12 juli 2006 genoteerd dat, gelet op de bewegingsuitslag van 30 graden, de frequentie waarin getordeerd moet worden mogelijk is. De Raad acht deze toelichting niet afdoende, nu de frequentie van torderen, met 150 maal per uur ten opzichte van 60 maal per uur, fors wordt overschreden. In dat licht is ook met de opmerking van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant niet beperkt is ten aanzien van reiken en hoofdbewegingen maken, onvoldoende onderbouwd waarom deze overschrijding aanvaardbaar is. Daarbij neemt de Raad ook in aanmerking dat anders dan in de Notities Functiebelasting wordt gesteld, deze belasting acht uur per dag en over de gehele dag voorkomt. Reeds om deze reden kan de functie niet aan de schatting ten grondslag worden gelegd.


5.4. De Raad is verder van oordeel dat de overschrijding van de belastbaarheid van appellant in de functie van wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050) op het onderdeel buigen tevens onvoldoende is gemotiveerd. In de Notities Functiebelasting van 6 februari 2006 is slechts toegelicht dat de overschrijding acceptabel is omdat de mate van buigen incidenteel is en er voldoende tijd is voor herstel. Blijkens het Resultaat Functiebeoordeling is de belasting voor kortcyclisch buigen omschreven als: tijdens acht werkuren 30 maal ongeveer 45 graden achtereen en tijdens twee werkuren vijf maal ongeveer 90 graden achtereen. Afgezet tegen de in de FML aangegeven beperking voor buigen tot 60 graden, is de Raad van oordeel dat de belastbaarheid van appellant ten aanzien van het aspect (kortcyclisch) buigen op ontoelaatbare wijze wordt overschreden nu buigen tot 90 graden voorkomt. Naar het oordeel van de Raad kan gelet op de aangegeven belasting van twee werkuren vijf maal ongeveer 90 graden achtereen ook niet gesproken worden van een incidentele overschrijding. Alleen al om deze reden is ook de geselecteerde functie van wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur te belastend voor appellant. Daarmee resteren nog slechts twee functies, zodat het bestreden besluit op een ontoereikende arbeidskundige grondslag berust. De Raad laat daarom thans in het midden of de met de andere twee functies verbonden belasting in overeenstemming is met de belastbaarheid van appellant en zal hetgeen appellant daarover heeft aangevoerd onbesproken laten.


5.5. De Raad concludeert dat het bestreden besluit niet is voorzien van een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt en dat het bestreden besluit 2 dient te worden vernietigd. Dat houdt in dat het Uwv opnieuw op de bezwaren van appellant dient te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.


5.6. Ten aanzien van de grief van appellant met betrekking tot de hoogte van de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling, overweegt de Raad het volgende.

De rechtbank heeft het Uwv in haar uitspraak veroordeeld in de proceskosten van appellant, te weten 2 punten voor verleende rechtsbijstand met een wegingsfactor 1.

Het vorenstaande brengt met zich dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover daarbij de proceskostenveroordeling in eerste aanleg is beperkt tot € 322,- (zijnde 1 punt bij wegingsfactor 1). Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad de proceskostenveroordeling nader vaststellen en het Uwv nader veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,-. De Raad acht tevens termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden eveneens begroot op

€ 644,- voor verleende rechtsbijstand.


5.7. Appellant heeft op grond van artikel 8:73 van de Awb verzocht het Uwv te veroordelen in de schade aan de kant van appellant. Uit het hiervoor overwogene blijkt dat het bestreden besluit 2 wordt vernietigd op grond van gebreken in de totstandkoming ervan en dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken, omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden. Het Uwv zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is beslist over de vergoeding van proceskosten;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, in totaal € 1288,-;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en P.J. Jansen en

R.H. de Bock als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009.



(get.) Ch. van Voorst.



(get.) J.M. Tason Avila.



JL