Centrale Raad van Beroep, 24-03-2009 / 07-5734 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BI0308

Inhoudsindicatie
Herhaalde aanvraag om een vergoeding van de kosten van verhuizing afgewezen. Tijdsverloop van meer dan 1 jaar. Verhuizing naar andere woning per andere datum. Ten onrechte is art.4:6 Awb toegepast. Indien een nieuwe aanvraag voorligt na een eerdere afwijzing van een bijstandsaanvraag, ligt het in het algemeen op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat zich sedert die afwijzing een relevante wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan. Vernietiging besluit met in standlating rechtsgevolgen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-03-24
Publicatiedatum
2009-04-14
Zaaknummer
07-5734 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2009, 124
Uitspraak

07/5734 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 30 augustus 2007, 07/552 (hierna: aangevallen uitspraak)


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)


Datum uitspraak: 24 maart 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. S.H.J. van der Linden, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2009. Voor appellant is mr. Van der Linden verschenen. Het College heeft zich, na voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Bij besluit van 14 maart 2005 heeft het College de aanvraag van appellant voor een tegemoetkoming in verhuiskosten op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten afgewezen.


1.2. Appellant diende op 20 september 2005 een aanvraag in om bijzondere bijstand voor verhuiskosten ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Ter ondersteuning van deze aanvraag heeft hij een verklaring van zijn huisarts, M. Reitsma te [woonplaats], van 20 september 2005 overgelegd. Bij besluit van 20 oktober 2005 heeft het College de aanvraag voor bijzondere bijstand afgewezen. Daartoe is overwogen dat verhuiskosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, dat appellant geacht wordt voor deze kosten te reserveren en dat er geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven om in de situatie van appellant toch tot bijstandsverlening over te gaan. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.


1.3. Appellant diende op 13 november 2006 wederom een aanvraag in om bijzondere bijstand voor verhuiskosten. Op 21 november 2006 heeft appellant de huurovereenkomst voor zijn nieuwe woning ondertekend. De verhuizing en herinrichting heeft hij bekostigd door het afsluiten van een lening. Ter ondersteuning van zijn aanvraag heeft appellant een nieuwe verklaring van zijn huisarts, gedateerd 24 november 2006, overgelegd. Deze aanvraag is bij besluit van 28 november 2006 afgewezen onder verwijzing naar het besluit van 20 oktober 2005. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt en ter onderbouwing van zijn bezwaar een verklaring van 8 januari 2007 overgelegd van psychiater T.P.J. Hans, verbonden aan het RIAGG. Bij besluit van 9 maart 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 28 november 2006 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd ten opzichte van de eerdere afwijzing.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het College toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat de bestuursrechter in een dergelijk geval dient uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel dient te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het College op goede gronden het standpunt ingenomen dat ook de brief van de psychiater geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid oplevert dat zou kunnen leiden tot een ander besluit. De psychische gesteldheid van appellant was reeds bekend bij de besluitvorming in 2005 en is onvoldoende bevonden om een medische noodzaak aan te nemen.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Met appellant oordeelt de Raad dat het College bij de beoordeling van de aanvraag van 13 november 2006 ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6 van de Awb. Dat deze aanvraag wederom het verzoek om een vergoeding van de kosten van verhuizing uit de woning, gelegen aan de [adres], te [woonplaats] betreft, en om die reden de aanvraag mede moet worden beoordeeld in het licht van de geschiktheid van deze woning voor appellant en zijn gezin, brengt niet mee dat de beoordeling tot dat aspect kan worden beperkt. Vaststaat dat de aanvraag van 13 november 2006 een voorgenomen verhuizing betreft op een ander tijdstip en naar een andere woning dan ten tijde van de eerste aanvraag. De Raad merkt daarbij op dat tussen beide aanvragen een tijdsverloop ligt van ruim een jaar. Het besluit op bezwaar van 9 maart 2007, waarbij de afwijzing van de aanvraag van 13 november 2006 met toepassing van artikel 4:6 van de Awb is gehandhaafd, komt dan ook wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat ook de aangevallen uitspraak dit lot treft.


4.2. De Raad zal, mede met het oog op een finale beslechting van het geschil, vervolgens beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten.


4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad ligt het in een geval, waarin een nieuwe aanvraag voorligt na een eerdere afwijzing van een bijstandsaanvraag, in het algemeen op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat zich sedert die afwijzing een relevante wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan, in die zin dat thans wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Het onderhavige geding spitst zich derhalve toe op de beantwoording van de vraag of ten tijde hier van belang sprake is van een relevante wijziging in feiten en/of omstandigheden sedert de afwijzing van de bijstandsaanvraag van 20 september 2005.


4.4. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat het rapport van psychiater Hans van 8 januari 2007 geen relevante wijziging in de feiten en/of omstandigheden oplevert als hiervoor onder 4.3 bedoeld. Bij de beoordeling van de eerste aanvraag is al acht geslagen op de psychische toestand van appellant, zoals toegelicht in de bij die aanvraag gevoegde verklaring van huisarts Reitsma. Psychiater Hans wijst in zijn verklaring op de psychische toestand van appellant sedert oktober 2004. Uit deze verklaring valt niet af te leiden dat ten tijde van de thans in geding zijnde aanvraag wel sprake was van een medische noodzaak om te verhuizen. De - niet onderbouwde - verklaring dat de huisvesting een beperkende en frustrerende factor is die slecht is voor het genezingsproces is daarvoor niet voldoende. Met name blijkt uit deze verklaring niet dat zich in de psychische toestand van appellant sedert oktober 2004 een relevante wijziging heeft voorgedaan.


4.5. Gelet op hetgeen onder 4.3 en 4.4 is overwogen, komt de Raad tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 9 maart 2007 in stand kunnen blijven.


4.6. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 9 maart 2007;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Venlo aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Venlo aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C. van Viegen en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2009.


(get.) R.H.M. Roelofs.


(get.) B.E. Giesen.


IJ