Centrale Raad van Beroep, 31-03-2009 / 07-3005 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BI0332

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Geen melding gemaakt van het bezit van vermogen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-03-31
Publicatiedatum
2009-04-14
Zaaknummer
07-3005 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/3005 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 2 april 2007, 06/128 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer (hierna: College)


Datum uitspraak: 31 maart 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M. Braun, advocaat te Stadskanaal, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. H.A. Jonker-van Dijk, advocaat te Hoogezand. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok, werkzaam bij de gemeente Hoogezand-Sappemeer.


II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante en wijlen haar echtgenoot [naam echtgenoot] ontvingen sedert 1 april 1997 bijstand in aanvulling op uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet en een tweetal bedrijfspensioenfondsen, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij aanvang van de bijstand is het vermogen vastgesteld op € 5.937,05.


1.2. Uit informatie van de Belastingdienst is naar voren gekomen dat appellante, naast de bij het College bekend zijnde rekening bij de Postbank met op 31 december 2002 een saldo van € 7.672,--, tevens beschikte over rekeningen bij de Rabobank en de SNS bank, waarop per 31 december 2002 bedragen stonden van € 9.605,-- respectievelijk € 6.460,--. Uit een hierna door het College gestart onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte bijstand, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 1 juli 2005, is gebleken dat appellante ten tijde van de bijstandsaanvraag de beschikking had over contant geld in een kluis en voorts vanaf 1996/1997 financieel is ondersteund door haar dochter en schoonzoon met onregelmatig contant verstrekte wisselende geldbedragen. Appellante heeft verklaard dat deze bedragen waren bedoeld voor buitengewone (medische) kosten en als lening zijn verstrekt. Van deze leningen zijn geen schuldbekentenissen opgemaakt. Appellante heeft op 10 oktober 2001 een rekening bij de Rabobank geopend en een bedrag van € 8.408,55 op deze rekening gestort. In januari 2001 heeft zij een rekening geopend bij de SNS bank, waarop op 24 januari 2001 een bedrag van € 2.704,53 is gestort.


1.3. De bevindingen van dit onderzoek hebben het College aanleiding gegeven bij besluit van 18 juli 2005 de bijstand van appellante met ingang van 1 augustus 2004 in te trekken. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend. Vervolgens heeft het College bij besluit van 28 juli 2005 de bijstand van appellante over de periode van 1 april 1997 tot en met 31 juli 2004 ingetrokken en de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 20.556,70 van appellante teruggevorderd.


1.4. Bij besluit van 15 december 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 28 juli 2005 ongegrond verklaard.


1.5. Bij besluit van 17 oktober 2006 heeft het College de ingangsdatum van de periode van intrekking van de bijstand nader vastgesteld op 1 juli 1997 en het bedrag van de terug te vorderen kosten van bijstand nader bepaald op € 19.999,97.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep gericht tegen de intrekking van de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 juli 2004 en de terugvordering van de over deze periode gemaakte kosten van bijstand ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij is van mening dat het door het College vastgestelde vermogen gesaldeerd dient te worden met een bedrag van € 24.989,14, zijnde het totaal van de haar vanaf 1996/1997 door haar dochter en schoonzoon als geldlening verstrekte bedragen. Met terugbetalingen op 13 januari 2001 van € 5.889,14, op 7 september 2004 van € 16.600,-- en op 9 september 2004 van € 2.500,-- heeft zij inmiddels deze lening afgelost.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. De Raad stelt vast dat - nu de intrekking van de bijstand van appellante met ingang van 1 augustus 2004 in rechte vaststaat - ter beoordeling voorligt de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 juli 2004.


4.2. Naar ook ter zitting van de Raad is gebleken, is aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat door geen melding te maken van het bezit van vermogen in de vorm van contant geld over de periode van 1 juli 1997 tot 10 oktober 2001 het recht op bijstand over deze periode niet is vast te stellen en dat appellante vanaf 10 oktober 2001 tot en met 31 juli 2004 de beschikking had over een vermogen boven het voor haar geldende vrij te laten vermogen op grond waarvan geen recht meer op bijstand bestond.


4.3. Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. Artikel 34, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB bepaalt dat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens genoemd in het derde lid.


4.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kunnen schulden bij de vermogensvaststelling in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving uitsluitend in aanmerking worden genomen indien het feitelijke bestaan ervan in voldoende mate aannemelijk is geworden en tevens komt vast te staan dat aan die schuld een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden.


4.5. De Raad is van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat nu appellante geen melding heeft gemaakt van het bezit van contant geld bij aanvang van de bijstand en de daarna ontvangen financiële bijdragen van haar dochter en schoonzoon - en hieromtrent naderhand ook geen verifieerbare gegevens heeft kunnen verstrekken - het recht op (aanvullende) bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 10 oktober 2001 niet kan worden vastgesteld.


4.6. De Raad stelt voorts vast dat appellante in de periode van 10 oktober 2001 tot en met 31 juli 2004 (mede) houder was van de (verzwegen) bankrekeningen in geding. Het College heeft aan de hand van de zich onder de gedingstukken bevindende gegevens terecht vastgesteld dat het totale saldo van deze rekeningen in de periode van 10 oktober 2001 tot en met 31 juli 2004 meer bedroeg dan de voor appellante geldende vermogensgrens en dat zij daarover kon beschikken.


4.7. De Raad ziet geen aanleiding om de door appellante gestelde schuld aan haar dochter en schoonzoon op het vermogen in mindering te brengen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een schuld waaraan een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden. Van enige onderbouwing van deze stelling met objectieve en verifieerbare gegevens is niet gebleken. De hiervoor genoemde betalingen die appellante inmiddels aan haar schoonzoon heeft gedaan kunnen hiertoe niet dienen.


4.8. Door bij het College geen melding te maken van haar vermogen gedurende de periode in geding heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Nu die schending ertoe heeft geleid dat aan appellante over de hier in geding zijnde periode ten onrechte bijstand is verleend, was het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over die periode in te trekken en op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB tot terugvordering van het hiervoor vermelde bedrag over te gaan. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 1 april 2008, LJN BC9263 stelt de Raad voorts vast dat het College heeft gehandeld in overeenstemming met zijn niet onredelijk te achten beleid inzake intrekking en terugvordering. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht in afwijking van het beleid had moeten beslissen.


4.9. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2009.


(get.) G.A.J. van den Hurk.


(get.) N.L.E.M. Bynoe.


OA