Centrale Raad van Beroep, 07-04-2009 / 07/6229 WWB-E


ECLI:NL:CRVB:2009:BI0933

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstandsuitkering. Terugvordering. Appellant heeft verzwegen dat hij in de genoemde periode beschikte over een vermogen boven de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen. (Verzwegen) bankrekening. Van negatieve vermogensbestanddelen is niet gebleken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-04-07
Publicatiedatum
2009-04-16
Zaaknummer
07/6229 WWB-E
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

07/6229 WWB-E


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 september 2007, 06/3888 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)


Datum uitspraak: 7 april 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. drs. M.F. Achekar, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2009. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.E. Bensoussan, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant ontvangt vanaf 30 januari 1997, in aanvulling op een pensioen en een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet, bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2. In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek heeft appellant op 27 oktober 2005 ten kantore van de Sociale Dienst Amsterdam (SDA) een gesprek gevoerd met een handhavingspecialist van de SDA. Van dit gesprek is op dezelfde datum een verslag opgemaakt, dat door appellant is ondertekend. Blijkens dat verslag heeft appellant verklaard dat hij, naast de bij het College bekende bankrekeningen, nog een bankrekening in Marokko op zijn naam heeft staan. Appellant kon ten tijde van het gesprek geen bankafschriften overleggen, maar gaf aan bereid te zijn deze stukken tijdens een huisbezoek te tonen. Vervolgens is op 27 oktober 2005 een huisbezoek gebracht bij appellant. Tijdens dit bezoek heeft appellant afschriften van zijn rekening bij de [naam bank] in Marokko getoond.


1.3. Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 6 december 2005, heeft het College bij besluit van 22 februari 2006 de bijstand van appellant over de periode van 2 april 2003 tot en met 20 januari 2005 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van hem teruggevorderd. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellant heeft verzwegen dat hij in de genoemde periode beschikte over een vermogen boven de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen.


1.4. Bij besluit van 13 juni 2006, voor zover van belang, heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 22 februari 2006 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

13 juni 2006 ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het huisbezoek een niet gerechtvaardigde inbreuk op het recht op zijn persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden oplevert. Het bewijs over het tegoed op de rekening bij de [naam bank] is derhalve onrechtmatig verkregen en moet buiten beschouwing worden gelaten. Volgens appellant is er geen ander bewijs dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Subsidiair stelt appellant zich op het standpunt dat het tegoed op de betreffende bankrekening ten dele toebehoort aan zijn overleden schoonzus en derhalve geen bestanddeel vormt van zijn vermogen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat tussen partijen niet langer in geschil is dat er geen rechtvaardiging bestond voor de gemaakte inbreuk op het huisrecht van appellant. Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 11 april 2007, LJN BA2410, wordt aan het uitgangspunt dat bij huisbezoeken sprake moet zijn van een gerechtvaardigde inbreuk op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer alle kracht ontnomen, indien het betreffende bestuursorgaan de resultaten van een onrechtmatig huisbezoek niettemin bij de beoordeling van het recht op uitkering zou mogen meenemen. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de tijdens het huisbezoek van 27 oktober 2005 aan het licht gekomen gegevens betreffende de bankrekening in Marokko als onrechtmatig bewijs dienen te worden aangemerkt en als zodanig buiten beschouwing moeten worden gelaten.


4.2. Met het College is de Raad van oordeel dat in het onderhavige geval een causaal verband ontbreekt tussen het onrechtmatige huisbezoek en de resultaten van dat onderzoek, zodat er geen aanleiding bestaat de resultaten van dit huisbezoek, te weten de overgelegde bankafschriften, buiten beschouwing te laten. Uit het onder 1.2 vermelde verslag blijkt immers dat appellant reeds op 27 oktober 2005 op het kantoor van de SDA heeft verklaard over een bankrekening in Marokko te beschikken en dat hij zich bereid heeft verklaard de bankafschriften te tonen.


4.3. De Raad stelt vast dat appellant in de in geding zijnde periode houder was van een (verzwegen) bankrekening bij de [naam bank]. Niet in geschil is dat het saldo op deze bankrekening ten tijde in geding hoger was dan de voor appellant geldende grens van het vrij te laten vermogen.


4.4. Naar vaste rechtspraak rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs de beschikking kan verkrijgen. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.


4.5. Naar het oordeel van de Raad is appellant daarin niet geslaagd. Appellant heeft zijn stelling dat een deel van het tegoed aan zijn overleden schoonzus toekwam en dat die gelden enkel door hem werden beheerd en waren bestemd voor de bouw van een moskee niet onderbouwd met concrete, verifieerbare gegevens. Niet gebleken is dat appellant niet over de betreffende gelden kon beschikken. De door appellant overgelegde verklaringen geven de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel te komen.


4.6. Van in aanmerking te nemen negatieve vermogensbestanddelen is niet gebleken, zodat vastgesteld moet worden dat appellant gedurende de in geding zijnde periode de beschikking had over een vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens. Door van dit vermogen geen melding te maken bij het College heeft appellant gedurende de in geding zijnde periode de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend.


4.7. Gelet op het voorgaande was het College bevoegd om de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken over de hier in geding zijnde periode. Het College heeft in overeenstemming met zijn, door de Raad niet onredelijk geachte, beleid tot intrekking van bijstand beslist. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van intrekking had moeten afzien.


4.8. Hieruit vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. Het College heeft hierbij gehandeld in overeenstemming met zijn ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte, beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van dat beleid had moeten afwijken.


4.9. Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en O.L.H.W.I. Korte als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 april 2009.


(get.) G.A.J. van den Hurk.


(get.) J. Waasdorp.


OA