Centrale Raad van Beroep, 07-04-2009 / 07-6062 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BI0937

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag bijstand. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat, voor zover het gaat om de weigering van appellant om mee te werken aan het huisbezoek, geen sprake is van schending van de medewerkingsverplichting. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant voor het niet verschijnen op de afspraken geen verschoonbare redenen gegeven. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking, met verbetering van de gronden waarop zij rust.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-04-07
Publicatiedatum
2009-04-16
Zaaknummer
07-6062 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2009, 118
Uitspraak

07/6062 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 september 2007, 07/270, (hierna: aangevallen uitspraak)


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: College)


Datum uitspraak: 7 april 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. H.A. Rispens, advocaat te Almere, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2009. Voor appellant is verschenen mr. Rispens. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.C. van der Moore, werkzaam bij de gemeente Almere.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser is aangeduid en het College als verweerder - ontleent de Raad de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden:


“ Eiser heeft sinds 26 april 2006 een bijstandsuitkering berekend naar de norm voor een alleenstaande ontvangen. Bij besluit van 19 september 2006 heeft verweerder het recht op bijstand van eiser opgeschort omdat eiser geen gevolg heeft gegeven aan de verplichting om inlichtingen te verstrekken. Omdat eiser heeft nagelaten deze verplichting alsnog na te komen, heeft verweerder bij besluit van 3 oktober 2006 het besluit tot toekenning van bijstand herzien met ingang van 19 september 2006. In dit besluit is tevens aangekondigd dat het teveel betaalde bedrag aan bijstand over deze periode van eiser zal worden teruggevorderd. Op de afspraak voor een gesprek met een medewerker van de Dienst sociale zaken op 25 september 2006 is eiser niet verschenen. Eiser heeft zich op 9 oktober 2006 bij het Centrum voor werk en inkomen gemeld voor het doen van een nieuwe aanvraag voor een bijstandsuitkering. Op 30 oktober 2006 is een huisbezoek afgelegd. Eiser was op dat moment niet thuis. Er is een uitnodiging voor 31 oktober 2006 achtergelaten, waarop eiser op 31 oktober meedeelt dat hij niet wil meewerken aan een huisbezoek. Eiser zijn de consequenties van het niet meewerken aan het huisbezoek meegedeeld. Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft verweerder de aanvraag opgeschort met ingang van 31 oktober 2006 omdat eiser niet heeft voldaan aan de inlichtingen- en medewerkingsverplichting. Eiser is in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen door alsnog langs te komen op 3 november 2006. Tevens is in het besluit van 31 oktober 2006 medegedeeld dat indien eiser niet zal verschijnen, de aanvraag buiten behandeling zal worden gesteld. Op de afspraak van 3 november 2006 is eiser zonder bericht niet verschenen.”


1.2. Deze feiten en omstandigheden worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.


1.3. Bij besluit van 6 november 2006 is de aanvraag voor een bijstandsuitkering afgewezen op de grond dat eiser niet heeft voldaan aan de medewerkingsverplichting zoals neergelegd in artikel 17, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellant geen gevolg heeft gegeven aan een uitnodiging voor een gesprek op 1 november (lees: 31 oktober) 2006 en evenmin is verschenen op een nieuwe afspraak op 3 november 2006.


1.4. Bij besluit van 2 januari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 6 november 2006 ongegrond verklaard. Het College heeft daarbij onder meer verwezen naar het bepaalde in artikel 17, eerste en tweede lid, van de WWB en appellant tevens tegengeworpen dat hij niet heeft meegewerkt aan het huisbezoek.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 januari 2007 ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij bestrijdt dat er een redelijke grond was voor het huisbezoek.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.


4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 11 april 2007, LJN BA2410) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand), indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is sprake, indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.


4.3. In het besluit van 2 januari 2007 is als reden voor het afleggen van een huisbezoek opgegeven dat er sprake zou zijn van onderverhuur op het adres dat appellant bij zijn aanvraag als woning had opgegeven. Blijkens de toelichting van het College ter zitting van de rechtbank berust dit vermoeden op een anonieme tip.


4.4. De Raad is van oordeel dat een anonieme tip over de woon- en leefsituatie van een persoon die bijstand aanvraagt of ontvangt als zodanig geen redelijke grond vormt voor het afleggen van een huisbezoek. Een dergelijk tip kan, mits deze relevant, concreet en voldoende onderbouwd is, wel aanleiding geven voor het instellen van een nader onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. In dat kader dient eerst te worden bezien of gebruik kan worden gemaakt van voor betrokkene minder ingrijpende onderzoeksmiddelen dan een huisbezoek. Indien en zodra (daarbij) concrete objectieve feiten en omstandigheden blijken die twijfel doen rijzen over de juistheid van de eerder over de woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, ontstaat er een redelijke grond voor een huisbezoek.


4.5. Met appellant is de Raad van oordeel dat de overige in het besluit van 2 januari 2007 opgenomen redenen voor het huisbezoek geen concrete objectieve feiten en omstandigheden zijn als onder 4.1 bedoeld. De omstandigheid immers dat appellant op een vorig adres tijdens een periode van bijstand zijn woning heeft onderverhuurd, rechtvaardigt op zichzelf geen twijfel aan de juistheid of volledigheid van de opgave van appellant over zijn huidige woonsituatie. De omstandigheden dat appellant in het verleden inkomsten heeft verzwegen, dat hij veel auto’s op zijn naam heeft staan en dat de bijstand eerder is ingetrokken wegens het niet reageren op oproepen, betreffen niet zijn woon- en leefsituatie. Daarom kunnen zij evenmin, noch op zichzelf noch in onderling verband bezien, een redelijke grond zijn voor het huisbezoek.


4.6. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat appellant niet kan worden tegengeworpen dat hij medewerking aan het voor 31 oktober 2006 aangekondigde huisbezoek had behoren te verlenen. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat, voor zover het gaat om de weigering van appellant om mee te werken aan het huisbezoek, geen sprake is van schending van de medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de WWB.


4.7. De Raad stelt vervolgens vast dat het standpunt van het College dat appellant niet de medewerking heeft verleend welke noodzakelijk is om het recht op bijstand te kunnen vaststellen mede is gebaseerd op het - onder 1.1 vermelde - feit dat hij op 31 oktober en 3 november 2006 niet is verschenen op afspraken voor het verstrekken van inlichtingen. Dit standpunt is na bezwaar gehandhaafd en ligt mede ten grondslag aan het besluit van 2 januari 2007. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant voor het niet verschijnen op de afspraken geen verschoonbare redenen gegeven. Als zodanig kan niet worden aangemerkt dat hij niet wilde meewerken aan een huisbezoek. Met het College is de Raad van oordeel dat appellant in dit opzicht wel tekort is geschoten in de nakoming van de op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting, met als gevolg dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


4.8. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking, met verbetering van de gronden waarop zij rust.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en O.L.H.W.I. Korte als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 april 2009.


(get.) G.A.J. van den Hurk.


(get.) J. Waasdorp.


IA