Centrale Raad van Beroep, 07-04-2009 / 07-6112 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BI0940

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag bijstand. Het bijstandverlenend orgaan dient echter, indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld daartoe over te gaan. De Raad stelt vast dat, ook indien appellant nog zou beschikken over het genoemde bedrag van € 17.000,--, het saldo van zijn vermogen negatief zou zijn, gelet op de nog bestaande schuld van appellant aan de gemeente ’s-Gravenhage op grond van de terugvordering. Dit betekent dat het vermogen van appellant ten tijde van de hier te beoordelen periode van 28 november 2005 tot en met 14 maart 2006 niet in de weg stond aan bijstandsverlening.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-04-07
Publicatiedatum
2009-04-14
Zaaknummer
07-6112 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/6112 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 oktober 2007, 06/7855 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)


Datum uitspraak: 7 april 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. P.H.W. Spoelstra, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Spoelstra. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant ontving bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 24 december 2004 heeft hij van een op zijn naam staande bankrekening een bedrag va € 17.000,-- in contanten opgenomen.


1.2. Het College heeft bij besluit van 24 februari 2005 de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 1 februari 2005. Bij besluit van 15 april 2005 heeft het College de bijstand herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 januari 2005 op grond dat appellant onvoldoende informatie heeft verstrekt, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen en dat er geen recht op bijstand bestond. Bij dat besluit werden de kosten van de verleende bijstand tot een bedrag van € 99.221,91 van appellant teruggevorderd. Het College heeft deze twee besluiten bij besluit op bezwaar van 19 augustus 2005 gehandhaafd. Appellant heeft hiertegen geen beroep ingesteld.


1.3. Appellant heeft op 28 november 2005 een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 14 maart 2006 heeft het College de tweede bijstandsaanvraag afgewezen op de grond dat hij niet heeft voldaan aan zijn verplichting inlichtingen te verstrekken, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.


1.4. Bij besluit van 16 augustus 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 14 maart 2006 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 augustus 2006 ongegrond verklaard. Zij heeft daarbij overwogen dat appellant niet genoegzaam heeft aangetoond dat hij niet meer over het bedrag van € 17.000,-- beschikte. Omdat aldus het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld, mocht de aanvraag worden afgewezen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het gegeven dat appellant door de terugvordering een negatief vermogenssaldo heeft, geen bijzondere omstandigheid is om in weerwil van de ongenoegzame inlichtingen toch bijstand te verlenen.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat het bedrag van € 17.000,-- hem niet heeft toebehoord, maar dat hij het onder voorwaarde van zijn moeder heeft verkregen. Die voorwaarde is niet in vervulling gegaan, waarna hij het bedrag via zijn tante aan zijn moeder heeft terugbetaald.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad ligt het, indien een periodieke bijstandsuitkering is beëindigd of ingetrokken, in geval van een aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.


4.2. Anders dan door appellant is aangevoerd, leidt de omstandigheid dat hij in een strafrechtelijke procedure is vrijgesproken van de verdenking van verzwijging van de bankrekening omdat de strafrechter van oordeel was dat het banktegoed niet aan hem toebehoorde, niet tot het oordeel dat in de onderhavige procedure moet worden aangenomen dat appellant niet meer over het bedrag van € 17.000,-- beschikte. Naar vaste rechtspraak van de Raad is de bestuursrechter immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, teminder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.


4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellant overgelegde verklaringen niet genoegzaam aantonen, dat hij niet meer over het genoemde bedrag beschikte. In zoverre heeft appellant bij de onderhavige aanvraag niet volledig aan zijn inlichtingenverplichting voldaan.


4.4. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 20 september 2007, LJN BB6243) dient echter het bijstandverlenend orgaan, indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld daartoe over te gaan.


4.5. De Raad stelt vast dat, ook indien appellant nog zou beschikken over het genoemde bedrag van € 17.000,--, het saldo van zijn vermogen negatief zou zijn, gelet op de nog bestaande schuld van appellant aan de gemeente ’s-Gravenhage op grond van de terugvordering. Dit betekent dat het vermogen van appellant ten tijde van de hier te beoordelen periode van 28 november 2005 tot en met 14 maart 2006 niet in de weg stond aan bijstandsverlening. Het bestreden besluit berust in zoverre op een onjuiste motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend.


4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 16 augustus 2006 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het College dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.


5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 16 augustus 2006;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage;

Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en O.L.H.W.I. Korte als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 april 2009.


(get.) G.A.J. van den Hurk.


(get.) J. Waasdorp.


NW