Centrale Raad van Beroep, 17-04-2009 / 06-1153 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BI1542

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering. Benoeming van een tweede deskundige psychiater. Dysthyme stoornis. Hij heeft de bijdragen van de zenuwarts, de psychiater (adviserend aan het Uwv) en de eerste door de Raad benoemde deskundige afgewogen en heeft de door de laatste gehanteerde diagnose, een aanpassingsstoornis met ernstige depressieve verschijnselen, verworpen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-04-17
Publicatiedatum
2009-04-20
Zaaknummer
06-1153 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

06/1153 WAO



Centrale Raad van Beroep



Enkelvoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[appellante] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 januari 2006, 05/5228, (de aangevallen uitspraak)


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).





Datum uitspraak: 17 april 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante is hoger beroep ingesteld en is gereageerd op het voornemen om een tweede deskundige te benoemen.


Het Uwv heeft verweer gevoerd en gereageerd op het rapport van de deskundige prof dr T.I. Oei.


De Raad heeft achtereenvolgens twee psychiaters tot deskundige benoemd, prof Oei en prof. Dr. G.F. Koerselman. Zij hebben op 28 april 2008, respectievelijk 22 december 2008 schriftelijk van advies gediend.


Het onderzoek ter zitting vond plaats op 6 maart 2009. Appellante is niet verschenen. Namens het Uwv is verschenen A.M. Snijders.



II. OVERWEGINGEN


1. Het beroep richt zich tegen het ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op 4 juli 2005 door het Uwv bekend gemaakte besluit.


2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.


3.1. Appellante heeft haar werk als mangelster op 18 februari 2002 wegens lichamelijke en psychische klachten gestaakt. Aan haar is een WAO-uitkering toegekend, laatstelijk op enkel medische gronden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.


3.2. Op 16 februari 2004 heeft de verzekeringsarts appellante onderzocht en haar medische arbeidsbeperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Naar zijn opvatting kan appellante halve dagen werken mits de belasting valt binnen de grenzen van de FML. De haar behandelende psychiater en de door appellante als deskundige geraadpleegde zenuwarts G.W. de Graaff zijn van oordeel dat de psychische gezondheidstoestand van appellante aan het verrichten van loonvormende arbeid in de weg staat. Op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts heeft psychiater E.F. van Ittersum appellante onderzocht. Van Ittersum ziet voor appellante weliswaar enkele arbeidsbeperkingen, maar is van mening dat zij niet lijdt aan een “invaliderende ziekte of gebrek in psychiatrische zin”. De bezwaarverzekeringsarts heeft de FML gehandhaafd.


3.3. Voor haar eigen werk is appellante ongeschikt. De arbeidsdeskundige heeft op basis van de FML enkele functies als geschikt geselecteerd. Het loonverlies bedraagt ongeveer 47%.


3.4. Bij besluit van 19 juli 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante per 16 september 2004 verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55% en hij heeft die verlaging gehandhaafd met zijn besluit van 4 juli 2005.


4. In hoger beroep heeft appellante opnieuw opgeworpen dat het Uwv haar belastbaarheid, met name op psychisch vlak, heeft overschat.


5.1. In dit geding staat de medische beoordeling centraal. Oei adviseert appellante op 16 september 2004 als volledig arbeidsongeschikt aan te merken vanwege een aanpassingsstoornis met ernstige depressieve verschijnselen. De op dit rapport door het Uwv geuite kritiek was voor de Raad aanleiding Koerselman om advies te vragen. Deze deskundige vindt bij zijn onderzoek een dysthyme stoornis. Het gaat daarbij om chronische klachten van somberheid, angst en lichamelijk onwel bevinden, die van matige ernst zijn en een wat wisselend beloop kunnen hebben. Bij de reconstructie van haar toestand op 16 september 2004 concludeert Koerselman dat appellante leed aan een aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken. Van een aanpassingsstoornis was toen sprake, omdat stress-factoren bepalend waren voor haar toenmalige toestand. Later hebben de klachten een meer autonoom en chronisch beloop gekregen, wat beter wordt uitgedrukt in de diagnose dysthyme stoornis. De deskundige Koerselman is het eens met de FML. Hij heeft daarbij uitvoerig en kenbaar mede de bijdragen van De Graaff, Van Ittersum en Oei afgewogen en heeft de door Oei gehanteerde diagnose verworpen met als argumentatie:


“Die ‘diagnose’ is echter niet goed te begrijpen. Een aanpassingsstoornis kan ongetwijfeld met depressieve verschijnselen gepaard gaan, maar als regel niet met ernstige depressieve verschijnselen. Als dat het geval is, zal men van een (majeure) “depressieve stoornis” spreken, ook als stress-factoren een rol spelen. Voorts spreekt de psychiater Oei van een “traumatische verwerking van life events in haar relatieprobleem”. Of daardoor ook sprake is van een posttraumatische stresstoornis, vermeldt hij niet. Bij mijn huidig onderzoek vind ik daarvoor in ieder geval geen aanwijzing, ook niet als ik specifiek rekening houd met betrokkenes situatie op de datum in geding. Wanneer voorbij wordt gegaan aan de daarbij niet goed passende aanduiding “met ernstige depressieve verschijnselen” past de diagnose “aanpassingsstoornis” overigens wel bij de mededelingen van de behandelend psychiater Soylu en bij de conclusies van de psychiater Van Ittersum en mijzelf (voor wat betreft de datum in geding). De daaruit voortvloeiende conclusie van de psychiater Oei dat betrokkene op grond daarvan “volledig arbeidsongeschikt” was, blijft echter geheel zonder uitleg (behoudens een verwijzing naar de psychische stoornis en de lange duur al vanaf 2003/2004). Zo’n uitleg is in casu onmisbaar, omdat, zoals ik eerder heb aangegeven, een aanpassingsstoornis in het algemeen niet tot een situatie van volledig verlies van benutbare mogelijkheden leidt.”


5.2. Het rapport van de deskundige Koerselman is voor de Raad overtuigend. Hij volgt daarom zijn deskundige. Dat betekent dat de medische beroepsgrond niet slaagt.


5.3. De (bezwaar)arbeidsdeskundige heeft voldoende toegelicht dat en waarom de aan haar voorgehouden functies voor appellante geschikt zijn.


6. Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt.


7. Voor een kostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.V. Benza als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2009.



(get.) R.C. Stam.



(get.) R.V. Benza.




KR