Centrale Raad van Beroep, 14-04-2009 / 07-5382 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BI1688

Inhoudsindicatie
Uitsluiting van het recht op bijstand gedurende drie weken op de grond dat betrokkene langer dan vier weken in het buitenland verbleef. Aan het gegeven dat betrokkene niet is gewaarschuwd door het College kan naar het oordeel van de Raad niet het vertrouwen worden ontleend dat een verblijf in het buitenland van langer dan vier weken per kalenderjaar zonder consequenties voor betrokkenes uitkering zal blijven.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-04-14
Publicatiedatum
2009-04-21
Zaaknummer
07-5382 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/5382 WWB


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 3 augustus 2007, 07/26 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)


Datum uitspraak: 14 april 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 3 maart 2009, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante ontvangt vanaf 3 november 2000 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2. Appellante heeft door middel van een vakantieverklaring WWB van 20 december 2005 aangegeven van 1 januari 2006 tot en met 21 januari 2006 op vakantie te gaan. Vervolgens heeft appellante op een vakantieverklaring WWB van 6 juli 2006 aangegeven van 1 augustus 2006 tot en met 28 augustus 2006 op vakantie te gaan. Niet in geding is dat appellante gedurende de aangegeven vakantieperioden in het buitenland heeft verbleven.


1.3. Bij besluit van 8 september 2006 heeft het College appellante vanaf 8 augustus 2006 gedurende drie weken uitgesloten van het recht op bijstand.


1.4. Bij besluit van 4 december 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 8 september 2006 ongegrond verklaard. Daarbij is onder verwijzing naar artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB overwogen dat appellante over die periode langer dan vier weken in het buitenland heeft verbleven.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 4 december 2006 ongegrond verklaard.


3. Appelante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB, heeft geen recht op bijstand degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland.


4.2. De Raad stelt vast dat appellante in 2006 gedurende zeven weken in het buitenland verblijf heeft gehouden, waarmee zij de maximale termijn van vier weken als genoemd onder 4.1 heeft overschreden. Uit het vorenstaande volgt dat appellante vanaf 8 augustus 2006 gedurende drie weken geen recht heeft op bijstand.


4.3. Van de kant van appellante is in hoger beroep aangevoerd dat haar geen verwijt treft nu zij tijdig haar vakantie aan het College heeft doorgegeven, en het College haar niet heeft gewaarschuwd over de gevolgen van de overschrijding van de termijn van vier weken.


4.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat deze grief niet kan slagen. Ten eerste wijst de Raad op de informatie over de WWB die vanwege het College aan uitkeringsgerechtigden wordt verstrekt, waaronder de (consequenties van de overschrijding van de) vier weken termijn. Appellante kon derhalve redelijkerwijs op de hoogte zijn van de gevolgen van de overschrijding van die termijn. Voorts kan door appellante aan het gegeven dat zij niet door het College is gewaarschuwd naar het oordeel van de Raad in ieder geval niet het vertrouwen worden ontleend dat een verblijf in het buitenland van langer dan vier weken per kalenderjaar zonder consequenties voor haar uitkering zal blijven.


4.5. Dit betekent dat het College appellante op goede gronden vanaf 8 augustus 2006 van het recht op bijstand heeft uitgesloten gedurende een periode van drie weken.


4.6. Gelet op het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.


4.7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 april 2009.



(get.) A.B.J. van der Ham.



(get.) A. Badermann.



NW