Centrale Raad van Beroep, 22-04-2009 / 08-1321 WW


ECLI:NL:CRVB:2009:BI3389

Inhoudsindicatie
Intrekking met terugwerkende kracht en terugvordering WW-uitkering wegens toekenning WAO-uitkering. Beleidsregels. Niet vereist dat het appellant redelijkerwijs duidelijk was dat hij ten onrechte WW-uitkering ontving. Geen sprake van situatie dat de WW-uitkering hoger was dan de WAO-uitkering. Als gevolg van een fout van het Uwv is niet volledig verrekend, restant wordt teruggevorderd. Het onverschuldigd betaalde bedrag aan WW-uitkering dat niet is verrekend met de WAO-uitkering is terecht teruggevorderd. Brief met acceptgiro niet gericht op enig zelfstandig rechtsgevolg. Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-04-22
Publicatiedatum
2009-05-12
Zaaknummer
08-1321 WW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/1321 WW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 januari 2008, 07/1447 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 22 april 2009.


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. H.B.Th. Koekkoek, werkzaam bij CNV Hout en Bouw te Drachten, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend waarop appellant heeft gereageerd.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2009. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.H.M.H. Swarts.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.


2.1. Met ingang van 15 januari 2004 is de uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) van appellant, tot op dat moment berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Als aanvulling op de verlaagde WAO-uitkering heeft het Uwv appellant met ingang van 15 januari 2004 een uitkering ingevolge de WW toegekend. Appellant heeft de herziening van de WAO-uitkering in rechte aangevochten. Dit heeft ertoe geleid dat het Uwv de WAO-uitkering van appellant in september 2006 alsnog met ingang van 15 januari 2004 heeft voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Dit heeft tot gevolg dat appellant, achteraf bezien, per 15 januari 2004 geen recht had op een WW-uitkering.


2.2. Het Uwv heeft gepoogd het bedrag aan na te betalen WAO-uitkering te verrekenen met de WW-uitkering. Hierbij is een fout gemaakt: abusievelijk is in december 2006 een deel van de WAO-nabetaling, te weten een bedrag van € 9.664,83, aan appellant uitgekeerd. Als gevolg van deze fout heeft het Uwv een bedrag van € 2.587,18 aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering niet kunnen verrekenen. Dit heeft geleid tot een besluit van het Uwv van 22 januari 2007 tot intrekking van de WW-uitkering van appellant met ingang van 15 januari 2004 en terugvordering van een bedrag van € 2.587,18 bruto als onverschuldigd betaald in de periode van 12 januari 2004 tot en met 18 april 2004.


2.3. Op 31 januari 2007 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen appellant een acceptgiro gestuurd ter voldoening van een nettobedrag van € 2.562,37 binnen zes weken. Daarbij is aangegeven dat appellant, indien hij de vordering niet binnen zes weken in één keer kan voldoen, contact kan opnemen met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om een betalingsregeling af te spreken, bij gebreke waarvan het Uwv zelf zal besluiten over de wijze van betalen. Over dat besluit zal appellant een aparte brief ontvangen.


2.4. Bij besluit van 9 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 januari 2007 ongegrond en het bezwaar tegen de acceptgiro niet-ontvankelijk verklaard.


3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


4.1. Appellant meent dat de acceptgiro van 31 januari 2007 rechtsgevolg teweeg brengt, omdat daarin het terug te betalen bedrag en de termijn waarbinnen betaald moet worden

definitief zijn vastgesteld. De rechtbank heeft daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 31 januari 2007 naar de mening van appellant ten onrechte in stand gelaten. Appellant heeft verder aangevoerd dat het Uwv niet duidelijk heeft gemaakt waarom niet de volledige WW-uitkering is verrekend met de na te betalen WAO-uitkering, noch dat een bedrag van € 2.587,18 teveel aan WW-uitkering is betaald. Hij meent dat het Uwv op grond van artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels schorsing en opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van 17 oktober 2006, Stcrt 2006, 230 (hierna: de Beleidsregels) niet tot terugvordering had mogen overgaan, omdat hem ten tijde van het ontvangen van de WW-uitkering, noch ten tijde van het ontvangen van de nabetaling van € 9.664,83 aan WAO-uitkering, redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij teveel ontving. Appellant acht de terugvordering tevens in strijd met algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 2 februari 2005, LJN AS6760, is appellant van mening dat het Uwv van terugvordering had moeten afzien.


5. De Raad overweegt als volgt.


5.1. Vaststaat dat appellant met ingang van 15 januari 2004 geen recht had op een WW-uitkering, omdat hem met ingang van die datum alsnog een volledige WAO-uitkering is toegekend.

Ingevolge artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW herziet het Uwv een besluit tot toekenning van een uitkering indien deze ten onrechte is verleend. Ter uitvoering van artikel 22a van de WW hanteert het Uwv de in 4.1 genoemde Beleidsregels. De situatie van appellant is omschreven in artikel 4, tweede lid, van de beleidsregels. In dat artikellid is neergelegd dat, indien aan de verzekerde over een periode waarover ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt terwijl dat hem niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn, een andere uitkering wordt toegekend, de eerstgenoemde uitkering wordt ingetrokken of herzien met ingang van de dag waarop de andere uitkering ingaat. De ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering wordt met de andere uitkering verrekend. Voorzover een hoger bedrag is uitgekeerd dan het bedrag van de andere uitkering wordt het meerdere niet teruggevorderd.


5.2. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv een juiste toepassing gegeven aan artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels door de WW-uitkering van appellant met terugwerkende kracht tot 15 januari 2004 in te trekken. Daarvoor was niet vereist dat het appellant redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hij ten onrechte die uitkering ontving. Het Uwv is eveneens terecht tot verrekening overgegaan. Voor toepassing van de laatste volzin van artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels bestond in dit geval geen grond, nu geen sprake is van de daar bedoelde situatie dat de WW-uitkering hoger was dan de WAO-uitkering.


5.3. Artikel 36, eerste lid, van de WW bepaalt dat de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a onverschuldigd is betaald, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de betrokken werknemer wordt teruggevorderd. Gelet op deze bepaling en hetgeen in 5.2 is overwogen komt de Raad tot het oordeel dat het Uwv het onverschuldigd betaalde bedrag aan WW-uitkering dat niet is verrekend met de WAO-uitkering terecht van appellant heeft teruggevorderd. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv het ontstaan en de omvang van de vordering voldoende inzichtelijk gemaakt.


5.4. Het betoog van appellant met betrekking tot het rechtskarakter van de hem op

31 januari 2006 toegezonden acceptgiro volgt de Raad niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de desbetreffende brief niet is gericht op enig zelfstandig rechtsgevolg, nu de verplichting tot terugbetaling al was ontstaan door het besluit van 22 januari 2007, noch als invorderingsbesluit kan worden gezien, omdat appellant nog de mogelijkheid wordt geboden om over een betalingsregeling in contact te treden en hij over de wijze van betalen nog afzonderlijk zal worden bericht.


5.5 Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.


6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H.G. Rottier en

B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 april 2009.



(get.) M.A. Hoogeveen.



(get.) I. Mos.



BvW