Centrale Raad van Beroep, 28-05-2009 / 08-3183 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2009:BI8019

Inhoudsindicatie
Verzoek om herziening. Appellant heeft bij zijn verzoek geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die aan verweerster bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig ander licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-05-28
Publicatiedatum
2009-06-15
Zaaknummer
08-3183 WUBO
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/3183 WUBO



Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


[appellant] (hierna: appellant),


en


de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)



Datum uitspraak: 28 mei 2009



I. PROCESVERLOOP


Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 16 mei 2008, kenmerk BZ 8029, JZ/F60/2008 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2009. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.



II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. In december 2003 heeft appellant, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering.

Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 26 mei 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 december 2004, op de grond dat in onvoldoende mate is gebleken dat appellant getroffen is geweest door oorlogsgeweld in de zin van de Wet. Hierbij is - kort samengevat en voor zover thans nog van belang - overwogen dat niet is komen vast te staan dat appellant tijdens de zogenoemde Bersiap-periode in zijn toenmalige woonwijk IJsfabriek te Buitenzorg en bij zijn vlucht daarna persoonlijk aan levensbedreigende omstandigheden heeft blootgestaan.

Het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van deze Raad van 9 maart 2006, nrs. 05/444 WUV + 05/443 WUBO, ongegrond verklaard. Naar die uitspraak wordt hier verder verwezen.


1.2. In juli 2007 heeft appellant bij verweerster nogmaals een aanvraag ingediend om hem te erkennen als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Appellant heeft daartoe wederom vooral, en nu meer gedetailleerd gewezen op door hem ondervonden levensbedreigende omstandigheden tijdens de vlucht voor het extremistisch geweld in het najaar van 1945. In het bijzonder is hierbij, onder overlegging van nadere getuigen-verklaringen, gepreciseerd dat het gezin waartoe appellant behoorde vanwege de steeds toenemende ongeregeldheden is gevlucht naar de wijk Soekasarie en daarna naar het beschermingskamp Ursulinenklooster en vandaar naar het opvangkamp Kedoeng Halang. Verder is gewezen op de, niet eerder vermelde omstandigheid, dat tijdens de vlucht van het gezin naar Soekasarie appellants tweelingbroer Johan door geweervuur van de extremisten is omgekomen en gedwongen achtergelaten.

Verweerster heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 22 augustus 2007, op de grond dat uit de nader overgelegde getuigenverklaringen niet alsnog blijkt van directe betrokkenheid van appellant bij ongeregeldheden, zodat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven tot herziening van de over de eerdere aanvraag van appellant genomen besluiten.

Na hiertegen gemaakt bezwaar, waarbij nog een getuigenverklaring en enige registratieve gegevens over de tweelingbroer van appellant zijn overgelegd, heeft verweerster haar standpunt bij het nu bestreden besluit gehandhaafd. Hierbij is nader overwogen dat over het omkomen van de tweelingbroer van appellant geen objectieve gegevens voorhanden zijn.


1.3. In beroep bij de Raad is namens appellant aangevoerd dat met de bij de aanvraag en in bezwaar overgelegde getuigenverklaringen en gegevens alsnog voldoende is onderbouwd dat appellant direct betrokken is geweest bij het omkomen van zijn broer en bij levensbedreigende omstandigheden tijdens de Bersiap-periode. Verder zijn in beroep ook nog getuigenverklaringen overgelegd over het omkomen van de tweelingbroer van appellant, onder meer van H. Acang Marsan te Bogor (Indonesië).


2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Die vraag beantwoordt de Raad op grond van de navolgende overwegingen bevestigend.


2.1. Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien.

De Raad is met verweerster van oordeel dat de hiervoor onder 1.2 genoemde aanvraag van juli 2007 het karakter draagt van een verzoek om herziening van de door verweerster eerder genomen besluiten over de aanvraag van december 2003. Dat bij de aanvraag van juli 2007 de eerder genoemde omstandigheden zijn aangevuld en gewijzigd en/of nader gedetailleerd brengt niet mee dat (deels) van een nieuwe aanvraag moet worden gesproken.


2.2. De in artikel 61, derde lid, van de Wet aan verweerster gegeven bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen met zich brengt dat de Raad het besluit slechts terug-houdend kan toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of door appellant bij zijn verzoek om herziening of, ten laatste, in bezwaar tegen de afwijzing van dat verzoek, feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die aan verweerster bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig ander licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.


2.3. De Raad heeft geen grondslag gevonden om de onder 2.2 geformuleerde vraag bevestigend te beantwoorden.

Wat betreft het gestelde omkomen van de tweelingbroer van appellant kan ook de Raad niet anders concluderen dan dat ieder objectief gegeven hierover ontbreekt. Gelet op de ingediende registratieve gegevens staat alleen de geboorte van deze tweelingbroer vast. Voorts kan de Raad de in beroep, en derhalve gezien het herzieningskarakter van de aanvraag tardief, hierover nog ingediende getuigenverklaringen niet in zijn beoordeling betrekken.

De bij de aanvraag en in bezwaar overgelegde getuigenverklaringen geven alleen een algemene beschrijving van de bedreigende omstandigheden ten tijde hier van belang. Met name blijkt hieruit niet alsnog dat appellant persoonlijk direct getroffen is door of direct betrokken is geweest bij het oorlogsgeweld. In dit verband wijst de Raad er, overeenkomstig zijn vaste rechtspraak, nog eens op dat de ontwrichting van het (gezins)leven, de armoede en de dreiging die het gezin waartoe appellant behoorde heeft ervaren ten gevolge van de onlusten gedurende de Bersiap-periode op zichzelf niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden.

Ook overigens is, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, niet kunnen blijken dat verweerster een besluit heeft genomen dat de bovenomschreven toetsing van de Raad niet kan doorstaan.


3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat.


4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2009.



(get.) G.L.M.J. Stevens.



(get.) I. Mos.




HD