Centrale Raad van Beroep, 05-08-2009 / 08-1033 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4694

Inhoudsindicatie
Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-08-05
Publicatiedatum
2009-08-06
Zaaknummer
08-1033 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/1033 WAO



Centrale Raad van Beroep



Enkelvoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[appellante] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 8 januari 2008, 07/676 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).



Datum uitspraak: 5 augustus 2009



I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2009. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Gloudi voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. van Kuilenburg.



II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 2006 heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek plaatsgevonden. Bij besluit van 14 november 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 11 januari 2007 ingetrokken op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.


1.2. Bij besluit van 27 maart 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 14 november 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen, vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), geschikt te achten is voor het verrichten van werkzaamheden in gangbare arbeid, waarvan haar voorbeelden zijn voorgehouden.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat zij geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts naar aanleiding van het bezwaar extra beperkingen heeft aangenomen (in verband met de aspecten samenwerken en uiten van eigen emoties) en kennis heeft genomen van de informatie van appellantes huisarts en behandelend psychiater. De rechtbank heeft uit het in beroep overgelegd schrijven van de huisarts niet kunnen afleiden dat appellante meer (psychische) beperkingen heeft dan reeds in de FML zijn weergegeven. Voorts heeft de rechtbank de in beroep overgelegde toelichting van de bezwaarverzekeringsarts van 11 mei 2007 met betrekking tot het aspect handelingstempo, waarvoor appellante niet beperkt wordt geacht, gevolgd. De rechtbank heeft derhalve geen aanleiding gezien voor de benoeming van een deskundige.


2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat gezien de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 21 maart 2007 appellante geschikt moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.


3. Appellante heeft in hoger beroep volhard in haar stelling dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is vastgelegd in de FML. Zij heeft daarbij met name gewezen op het naar haar mening ten onrechte niet aannemen van een beperking ten aanzien van het aspect handelingstempo. Ter zitting van de Raad is hierbij aangegeven dat de beperking van het handelingstempo, naar de mening van appellante, het gevolg is van de combinatie van de bij appellante aangenomen beperkingen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit rust op een deugdelijke medische grondslag. De Raad schaart zich achter de desbetreffende overwegingen in de aangevallen uitspraak. Wat appellante ter onderbouwing van haar hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. In beroep noch in hoger beroep zijn door appellante medische gegevens overgelegd die aanknopingspunten zouden kunnen bieden voor het oordeel dat appellante per de datum in geding op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten meer beperkt is dan in de FML is vastgelegd.


4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van 21 maart 2007 en 25 mei 2007, is ook naar het oordeel van de Raad een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de geschiktheid van de geselecteerde functies voor appellante.


5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak derhalve dient te worden bevestigd.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door H. Bedee in tegenwoordigheid van M.D.F. Smit-de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2009.



(get.) H. Bedee.



(get.) M.D.F. Smit-de Moor.




KR