Centrale Raad van Beroep, 21-08-2009 / 06-7118 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6746

Inhoudsindicatie
Intrekking WAO-uitkering. Medisch oordeel is door de (bezwaar)verzekeringsartsen overtuigend onderbouwd. Voldoende rekening gehouden met de beperkingen van appellante. Twee van de aanvankelijk geduide functies kunnen niet langer als passend worden beschouwd. Hiervoor zijn passende functies in de plaats gesteld. Besluit echter eerst in hoger beroep toereikend gemotiveerd. Venietiging besluit met instandlating rechtsgevolgen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-08-21
Publicatiedatum
2009-09-03
Zaaknummer
06-7118 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

06/7118 WAO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 oktober 2006, 06/1631 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 21 augustus 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr.drs. A.J.F. Gonesh, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft de eerste maal plaats gevonden op 20 juni 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar voornoemde raadsman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.


Het onderzoek is vervolgens heropend en nadat het Uwv bij brieven van 3 september en 20 november 2008 nadere stukken in het geding had gebracht, heeft op 10 juli 2009 een nieuw onderzoek ter zitting plaats gevonden. Appellante en haar raadsman zijn weer verschenen en voor het Uwv M.L. Turnhout.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen. Hier volstaat de Raad met het volgende.


1.2. Appellante heeft in 1999 met rugklachten haar werkzaamheden als tuinbouwmedewerkster gestaakt. Het Uwv heeft aan appellante een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.3. Bij besluit van 19 augustus 2005 heeft het Uwv per 19 oktober 2005 de WAO-uitkering van appellante ingetrokken. Bij besluit van 2 februari 2006 zijn de bezwaren van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan de intrekking van de uitkering ligt ten grondslag dat appellante weer in staat wordt geacht om met haar mogelijkheden en beperkingen in voor haar geschikte gangbare functies een zodanig inkomen te verwerven, dat haar mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 2 februari 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en de arbeidskundige grondslag van het besluit.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4.1. Ten aanzien van de medische beoordeling, stelt de Raad vast dat de arbeidsbeperkingen van appellante zijn vastgelegd door de verzekeringsarts in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 juni 2005. Daarin zijn onder meer beperkingen voor appellante opgenomen in de categorieën dynamische handelingen en statische houdingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft kunnen instemmen met deze beperkingen en heeft daarbij de informatie betrokken van de artsen van appellante, die door appellante was overgelegd, waaronder van de neuroloog dr. J.Th.J. Tans.


4.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat door de (bezwaar)verzekeringsartsen overtuigend is onderbouwd, dat in voldoende mate is rekening gehouden met de beperkingen van appellante. Voor het opnemen van meer beperkingen c.q. minder arbeidsmogelijkheden, bestaan naar het oordeel van de Raad onvoldoende aanknopingspunten. In hoger beroep heeft appellante ook geen nadere gegevens overgelegd, die daartoe aanleiding zouden kunnen geven.


4.3. In hoger beroep heeft het Uwv nadere rapportages overgelegd van de bezwaararbeidsdeskundigen J.G.W. de Wit en W.Th. Pompe van 18 juni en 28 augustus 2008. Hieruit blijkt, dat bij nadere toetsing van de geduide functies aan de arbeidsmogelijkheden van appellante, twee van de aanvankelijk geduide functies niet langer als passend kunnen worden beschouwd. Binnen de SBC code 272043 heeft de bezwaararbeidsdeskundige een extra functie geselecteerd. Aldus resteren functies binnen drie SBC codes, die door de bezwaararbeidsdeskundige in relatie tot de vastgestelde belastbaarheid van appellante alle naar het oordeel van de Raad overtuigend zijn toegelicht. De Raad kan zich in dit verband ook vinden in de visie van de bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hogeveen, die in zijn rapport van 31 januari 2006 heeft gemotiveerd dat de gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal door appellante er niet aan in de weg staat dat zij de functies moet kunnen vervullen. De Raad is van oordeel dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante aldus terecht is bepaald op ruim 11%, dus minder dan 15% en dat het Uwv de WAO-uitkering van appellante terecht heeft ingetrokken.


5. De Raad is wel van oordeel dat de intrekking van de uitkering van appellante door het Uwv pas in de fase van het hoger beroep voldoende is gemotiveerd. Dit leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak alsmede het besluit van 2 februari 2006 dienen te worden vernietigd, waarbij de Raad zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand blijven.


6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 805,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 februari 2006 gegrond en vernietigt dat besluit, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.449,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2009.


(get.) A.T. de Kwaasteniet.


(get.) D.W.M. Kaldenhoven.


KR