Centrale Raad van Beroep, 27-08-2009 / 08-1282 MAW


ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7000

Inhoudsindicatie
Plaatsing ten gevolge van een wijziging in de organisatiestructuur in de organieke functie van beheerder muziekbibliotheek/adviseur dirigent. Salarisschaal. Artikelen omtrent hoorplicht zijn niet van openbare orde. Functiewaardering.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-08-27
Publicatiedatum
2009-09-07
Zaaknummer
08-1282 MAW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/1282 MAW



Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[appellant], (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 januari 2008, 07/852, (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Commandant Zeestrijdkrachten (hierna: commandant)



Datum uitspraak: 27 augustus 2009


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


De commandant heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B. Damen, advocaat te Maastricht. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.E.B. Gorsira en H.J.M. Kolthof, beiden werkzaam bij het ministerie van Defensie.



II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant is per 4 december 2001 ten gevolge van een wijziging in de organisatiestructuur van de Marinierskapel (hierna: kapel) geplaatst in de organieke functie van beheerder muziekbibliotheek/adviseur dirigent (hierna: functie), bij welke functie indicatief - voor appellant onveranderd - salarisschaal 8 als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie behoorde.


1.2. De functie is op 8 januari 2004, met inachtneming van een in 2001 vastgestelde functiebeschrijving, met toepassing van het functiewaarderingssysteem FUWASYS-DEF voorlopig gewaardeerd, met als resultaat de indeling in hoofdgroep III, niveaugroep d (somscore 39 punten; salarisschaal 8). Bij besluit van 12 juli 2004 is, na door appellant tegen de voorgenomen waardering ingebrachte bedenkingen, dit resultaat als waardering van zijn functie vastgesteld. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 20 februari 2006 ongegrond verklaard; wel is hierbij, overeenkomstig het advies van de Commissie van Advies Bezwaren Functiewaardering van 7 juni 2005, de waardering heroverwogen en is de functie ingedeeld in hoofdgroep IV, niveaugroep a, (somscore 41 punten) zonder dat dit heeft geleid tot wijziging van de salarisschaal.


1.3. De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 14 november 2006, 06/1560, het beroep van appellant tegen het besluit van 20 februari 2006 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de commandant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft eerst vastgesteld dat het beroep is beperkt tot de gehandhaafde waarderingen in de functiewaardering van 12 juli 2004 van de kenmerken 1 (aard van de werkzaamheden), score 3 punten, en 5 (dynamiek van de werkzaamheden), score 2 punten. Voorts oordeelde de rechtbank dat de onderbouwing van de functiewaardering die nu wijlen H. Bruijstens op 28 september 2006 had opgesteld - en die uitkwam op een somscore van 43 punten, salarisschaal 9 - niet op voorhand onaannemelijk is en dat de commandant ter zitting tegen die onderbouwing geen argumenten heeft aangevoerd.

Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.


1.4. De commandant heeft bij een ter uitvoering van de uitspraak van 14 november 2006 genomen besluit van 20 februari 2007 (hierna: bestreden besluit), mede met inachtneming van een nader verkregen intern advies, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 juli 2004 (gedeeltelijk) gegrond verklaard en de indeling van de functie gewijzigd in indeling in hoofdgroep IV, niveaugroep a, met handhaving van de toepasselijke salarisschaal 8.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat de waardering van de functie op de onder 1.3 genoemde kenmerken 1 en 5 niet op onvoldoende gronden berust.


3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.


3.1. De grief van appellant dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij ten onrechte voorafgaande aan het bestreden besluit niet met toepassing van de artikelen 7:2 en 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, wijst de Raad van de hand. Deze grief is niet in eerste aanleg aangevoerd en beide artikelen bevatten geen voorschriften van openbare orde. De rechtbank is dus niet in strijd met artikel 8:69, eerste en tweede lid, van de Awb aan het (pas) in hoger beroep gestelde hoorgebrek voorbijgegaan.


3.2. Voorts heeft appellant betoogd dat de functiewaardering van 12 juli 2004 onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de functiewaarderingsadviseur K niet met appellant over de functie heeft gesproken. De Raad volgt dit betoog niet. Deze adviseur had de beschikking over de vastgestelde en niet betwiste beschrijving van de functie, waarvan moest worden uitgegaan. Hierbij laat de Raad nog wegen dat de functie een organieke functie is en dat de functiewaardering niet wegens een verzoek van appellant om functieonderhoud plaatsvond maar in het kader van een reorganisatie die de inhoud van de functie niet in essentie heeft geraakt.


3.3. De stellingen van appellant inzake het oordeel van de rechtbank over de waardering van de kenmerken 1 (aard van het werk) en 5 (dynamiek van het werk) zijn in hoofdzaak ontleend aan de functiewaardering van 28 september 2006 van wijlen Bruijstens.


3.3.1. De Raad wijst er evenwel op dat Bruijstens in een e-mailbericht van 23 november 2007 heeft aangegeven dat over de precieze waardering van kenmerk 1 (score 3 óf 4) kan worden getwist en dat de waardering van kenmerk 5 met een score van 2 passend is indien wordt uitgegaan van de functiebeschrijving waarop de functiewaardering van 12 juli 2004 is gebaseerd, maar niet als wordt uitgegaan van het echte functiebeeld.


3.3.2. Hieruit leidt de Raad in de eerste plaats, en met de rechtbank, af dat de waardering van het kenmerk 1 met de score van 3 punten niet op onvoldoende grond berust.


3.3.3. Met betrekking tot de waardering van het kenmerk 5 met de score van 2 punten overweegt de Raad dat, nu aan deze waardering een niet betwiste functiebeschrijving ten grondslag ligt, deze functiebeschrijving inzake (ook) het hier aan de orde zijnde kenmerk van doorslaggevende betekenis is en niet opzij gezet kan worden door een ander, daarmee niet sporend, beeld van de feitelijke werkzaamheden van appellant. Dat beeld bestaat eruit dat appellant, mede ten gevolge van zijn jarenlange ervaring in de kerntaken van de functie, allerlei zaken regelt waartoe de dirigent/artistiek leider hem de ruimte laat en dat appellant zich ziet als de spin in het web van de artistieke organisatie van de kapel. Dit beeld vindt evenwel geen steun in de functiebeschrijving en in het organisatiemodel van de kapel, waarin de dirigent/artistiek leider de leidinggevende van appellant is die verantwoordelijk is voor de artistieke kwaliteit. De Raad neemt nog in aanmerking dat in de in hoger beroep door appellant ingebrachte adviezen van drs. M. Smit en drs. M.J. van den Blink ook van dit feitelijk beeld van de functie is uitgegaan en dat die adviezen daarom niet de betekenis kunnen hebben die appellant eraan toegekend wil zien worden. De Raad volgt dan ook de rechtbank in haar oordeel dat de waardering van het kenmerk 5 met de score van 2 punten niet op onvoldoende gronden berust.


3.4. Hetgeen appellant overigens in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt de Raad evenmin tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak geen stand kan houden.


4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet dus worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende;


Bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2009.



(get.) J.G. Treffers.



(get.) P.W.J. Hospel.



HD