Centrale Raad van Beroep, 16-09-2009 / 06-5699 WAZ


ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7899

Inhoudsindicatie
Herziening WAZ-uitkering. Voldoende medische grondslag. Deugdelijk gemotiveerd dat de in het geding gebrachte medische stukken geen aanknopingspunten bieden voor het standpunt van appellant dat hij meer beperkt is te achten dan is aangenomen in de FML. Terecht aangenomen dat geen indicatie bestaat voor een medische urenbeperking. De Raad vindt in de stukken geen steun voor het standpunt van appellant dat het hem aan duurzaam benutbare mogelijkheden ontbreekt om arbeid te verrichten. Met betrekking tot de door appellant aangevoerde grieven tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat het Uwv het maatmaninkomen dat is afgeleid uit een opgave van appellant aan de belastingdienst op een juiste wijze heeft vastgesteld. Conform vaste jurisprudentie van de Raad is voor het vaststellen van de inkomsten uit arbeid van een zelfstandige de door deze gemaakte en door de belastingdienst gevolgde fiscale keuze in beginsel doorslaggevend. Dit is alleen anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen is in het onderhavige geval niet gebleken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-09-16
Publicatiedatum
2009-09-17
Zaaknummer
06-5699 WAZ
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

06/5699 WAZ


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 augustus 2006, 06/969 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 16 september 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. P.H. Ruijzendaal, advocaat te Zeist, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Appellant heeft nadere stukken ingediend, waarop door het Uwv is gereageerd.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Kouveld.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant ontvangt in verband met whiplash-gerelateerde klachten een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.2. Naar aanleiding van een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid heeft een medisch onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts M.C.H van Didden heeft op grond van dossieronderzoek, eigen onderzoek en na raadpleging van de klinisch psycholoog/neuropsycholoog drs. M.S.P. Vermeulen vastgesteld dat appellant in verband met hoofdpijnklachten beperkt is in zijn belastbaarheid. De beperkingen van appellant zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 7 maart 2005. De arbeidsdeskundige heeft het verlies aan verdiencapaciteit van appellant op grond van een zogenoemde theoretische schatting vastgesteld op 42%. Bij besluit van 19 augustus 2005 heeft het Uwv de WAZ-uitkering van appellant ingaande 17 oktober 2005 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45 %.


1.3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 augustus 2005. De bezwaarverzekeringsarts heeft in hetgeen door appellant in bezwaar is aangevoerd en in de door hem overgelegde rapportage van de neuropsycholoog dr. J. Bruins van 11 oktober 2005 geen argumenten gevonden om af te wijken van het standpunt van de verzekeringsarts Van Didden. Het Uwv heeft bij besluit op bezwaar van 16 januari 2006 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2.1. Zij was van oordeel dat in voldoende mate met de medische beperkingen van appellant is rekening gehouden en zij heeft in hetgeen door appellant in beroep is aangevoerd en in de door hem in geding gebrachte medische rapportages, waaronder een op 11 januari 2006 gedateerde rapportage van neurochirurg dr. P.H.J.M. Elsenburg, geen argumenten gevonden om de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist te achten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts O.J. van Kempen in haar rapportages van 19 april en 18 juli 2006 deugdelijk heeft gemotiveerd dat de in het geding gebrachte medische stukken geen aanknopingspunten bieden voor het standpunt van appellant dat hij meer beperkt is te achten dan is aangenomen in de FML. Verder heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden aangenomen dat er geen indicatie bestaat voor een medische urenbeperking. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een psychiater te benoemen voor een deskundigenonderzoek.


2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de bezwaararbeidsdeskundige J.C.M. Horeman in beroep uitvoerig en toereikend heeft gemotiveerd dat de in beroep aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijden. Verder heeft de rechtbank als haar oordeel uitgesproken dat het Uwv het maatgevend inkomen van appellant op een juiste wijze heeft vastgesteld.


3.1. Appellant heeft in hoger beroep betwist dat hij over duurzaam benutbare mogelijkheden beschikt om een inkomen te verwerven. Appellant acht zich in ieder geval zwaarder beperkt dan is aangenomen door het Uwv. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stelling verschillende medische stukken in geding gebracht, waaronder brieven van psychiater H.L. Keijer van 21 november 2007 en 22 mei 2008 en een rapportage van medisch adviseur/verzekeringsarts mr. G.J. Kruithof van 11 november 2008.


3.2. Appellant heeft zich verder niet kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Hij heeft wederom gesteld dat het Uwv bij het vaststellen van het maatgevend inkomen van een onjuiste maatstaf is uitgegaan en dat de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit onvoldoende is.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1. De Raad kan zich verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de in de aangevallen uitspraak vermelde overwegingen en maakt deze tot de zijne.


4.2. De Raad vindt in de stukken geen steun voor het standpunt van appellant dat het hem aan duurzaam benutbare mogelijkheden ontbreekt om arbeid te verrichten. De Raad overweegt hiertoe dat appellant door medisch adviseur/verzekeringsarts mr. Kruithof weliswaar zwaarder beperkt wordt geacht dan is aangenomen door het Uwv, maar dat deze conclusie - zoals door de bezwaarverzekeringsarts Van Kempen in haar rapportage van 25 februari 2009 genoegzaam is gemotiveerd - geen steun vindt in de onderzoeksbevindingen van Kruithof. Kruithof heeft bij zijn onderzoek immers geen objectieve afwijkingen kunnen constateren. De Raad overweegt voorts dat nu appellant ten tijde in geding niet onder dagbehandeling stond, anders dan ten tijde van het onderzoek van Kruithof, er ook op deze grond geen reden is te veronderstellen dat een urenbeperking geïndiceerd is.


4.3. Over de door appellant geclaimde verminderde psychische draagkracht, overweegt de Raad dat uit de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Van Kempen van 11 januari 2006 blijkt dat zij bij haar onderzoek op psychisch gebied geen beperkingen heeft vastgesteld. De Raad heeft in de in geding gebrachte verklaringen van psychiater Keijer noch in de rapportage van neuropsycholoog dr. Bruins aanknopingspunten gevonden voor het standpunt van appellant dat hij op psychische gronden zwaarder beperkt is te achten dan is aangenomen door het Uwv. De Raad schaart zich achter de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts Van Kempen in haar rapportage van 25 februari 2009, dat met de gestelde beperkingen ten aanzien van concentreren van de aandacht, verdelen van de aandacht en werken met veelvuldige deadlines en productiepieken in voldoende mate rekening is gehouden met de klachten van appellant. De Raad ziet geen aanleiding een deskundige te benoemen.


4.4. Met betrekking tot de door appellant aangevoerde grieven tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat het Uwv het maatmaninkomen dat is afgeleid uit een opgave van appellant aan de belastingdienst op een juiste wijze heeft vastgesteld. Conform vaste jurisprudentie van de Raad is voor het vaststellen van de inkomsten uit arbeid van een zelfstandige de door deze gemaakte en door de belastingdienst gevolgde fiscale keuze in beginsel doorslaggevend. Dit is alleen anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden.

Van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen is in het onderhavige geval niet gebleken.


4.5. De Raad is tot slot van oordeel dat de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit in overeenstemming is met de jurisprudentie van de Raad over het aangepaste Claim Beoordelings- en Borgings Systeem (CBBS) zoals neergelegd in zijn uitspraken van 9 november 2004 (onder meer LJN AR4717), van 12 oktober 2006 (onder meer LJN AY9971), van 23 februari 2007 (onder meer LJN AZ9153) en van 6 april 2007 (LJN BA2860), waarin onder meer is overwogen dat alle door het CBBS op de functiebelastingen aangebrachte signaleringen van een afzonderlijke toelichting dienen te worden voorzien.


4.6. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2009.


(get.) T. Hoogenboom.


(get.) I.R.A. van Raaij.


TM