Centrale Raad van Beroep, 18-09-2009 / 08-806 WAO + 08-2000 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7983

Inhoudsindicatie
Besluit 1: voldoende medische grondslag. Onvoldoende motiveringen arbeidskundige grondslag. Nieuw besluit. Besluit 2: geen overschrijding belastbaarheid in de FML. De Raad is van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige de signaleringen bij de geduide functies voldoende heeft toegelicht. Beroep ongegrond.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-09-18
Publicatiedatum
2009-09-22
Zaaknummer
08-806 WAO + 08-2000 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/806 + 08/2000 WAO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 december 2007, 07/913 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 18 september 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. A.H.M. van den Broek, advocaat te Weert, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met als bijlagen nadere rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 25 maart 2008 en de bezwaararbeidsdeskundige van 2 januari 2008 alsmede een nieuw besluit op bezwaar van 3 januari 2008.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2009. Appellante is, zoals tevoren schriftelijk was bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.H.J.A. Olthof.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als produktiemedewerker kippenslachterij voor 27,4 uur per week, ontving sinds 9 oktober 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wegens klachten aan de linkerarm- en schouder en psychische klachten.


1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellante op 17 januari 2006 op het spreekuur van verzekeringsarts L. Moraca verschenen. In haar rapport van dezelfde datum concludeerde de verzekeringsarts dat bij appellante geen sprake is van een psychiatrisch toestandsbeeld, maar dat appellante nog veel pijnklachten heeft aan beide armen. Vervolgens heeft de verzekeringsarts voor appellante beperkingen aangenomen ten aanzien van armbelasting en mentale belasting. Deze beperkingen zijn weergegeven in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De na afloop van het onderzoek door appellante gemelde klachten van hoge bloeddruk, hoofdpijn en vermoeidheid, vormden voor de verzekeringsarts geen aanleiding om de FML aan te passen, blijkens haar emailbericht aan arbeidsdeskundige Th.M.M. Doedée van 13 april 2006. Daarna is de arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat appellante onveranderd ongeschikt is voor haar werk als produktiemedewerkster kippenslachterij, maar nog wel geschikt is voor andere gangbare functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij het verlies aan verdienvermogen berekend op 32%. Bij besluit van 30 mei 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 29 juni 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.


1.3. In de bezwaarfase is bezwaarverzekeringsarts A. Deitz bij de hoorzitting aanwezig geweest en heeft hij informatie ingewonnen bij de behandelend internist-nefroloog dr. F.A.W. Kemperman, ontvangen bij brief van 30 maart 2006. Na weging van de beschikbare medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 30 november 2006 geconcludeerd dat de beperkingen in de FML juist zijn vastgesteld. Bezwaararbeidsdeskundige M. Prosée heeft in haar rapport van 23 januari 2007 vastgesteld dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functie van bode-bezorger en één functienummer van de functie postbesteller niet geschikt zijn. De overige voor appellante geselecteerde functies heeft zij wel geschikt geacht. Voorts heeft zij deze geschiktheid nader gemotiveerd. Op basis van de resterende geschikte functies heeft de bezwaararbeidsdeskundige het verlies aan verdienvermogen berekend op 38,22%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 30 januari 2007 (bestreden besluit 1) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 mei 2006 gegrond verklaard en de WAO-uitkering van appellante met ingang van 29 juni 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat het Uwv een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van de uitspraak, het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante en bepaald dat aan haar het griffierecht dient te worden vergoed. Bestreden besluit 1 is volgens de rechtbank op een deugdelijke medische grondslag gebaseerd. Wat betreft de arbeidskundige grondslag is de rechtbank van oordeel dat met de motiveringen in de notities functiebelasting van 11 april 2006 en in de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 23 januari 2007 en 31 juli 2007 niet volledig is voldaan aan de vereisten die zijn gesteld in de uitspraak van de Raad van 23 februari 2007

(LJN AZ9157).


3.1. Appellante heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van bestreden besluit 1 bestreden. Daartoe heeft appellante – evenals in beroep – gewezen op de verdergaande beperkingen als gevolg van haar klachten aan het bewegingsapparaat, ernstige vermoeidheid, gejaagdheid, hoofdpijn en hoge bloeddruk. Appellante heeft daarbij vermeld dat de oorzaak van haar lichamelijke klachten nog steeds niet is vastgesteld.


3.2. Bij het – ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen – besluit van 3 januari 2008 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond (lees: gegrond) verklaard en besloten dat de WAO-uitkering van appellante met ingang van 29 juni 2006 onveranderd gebaseerd blijft op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Blijkens het aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegde nadere rapport van bezwaararbeidsdeskundige Prosée van 2 januari 2008, zijn de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante geschikt te achten en blijft de eerder vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid 35 tot 45%. Daarbij heeft de bezwaararbeidsdeskundige gemotiveerd dat de belastingen in de geduide functies, gelet op de toelichting van de verzekeringsarts op de aspecten 5.7 (boven schouderhoogte actief zijn) en 4.9 (frequent reiken tijdens het werk) in de FML, geen overschrijdingen van de belastbaarheid vormen.


4.1. De Raad stelt vast dat bestreden besluit 2 niet tegemoet komt aan het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1. Gelet op de overeenkomstige toepassing in hoger beroep van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dient de Raad bestreden besluit 2 in de procedure te betrekken. Dit betekent dat het beroep tegen bestreden besluit 1 geacht wordt mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.


4.2. Ten aanzien van de medische grondslag van bestreden besluit 1 ziet de Raad geen aanleiding daarover een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Uit de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen blijkt dat zij de door appellante gemelde klachten bij hun onderzoek hebben betrokken. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd en/of argumenten naar voren gebracht, die aanleiding kunnen geven om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde – en door de bezwaarverzekeringsarts onderschreven – beperkingen. Voorts is door de bezwaarverzekeringsarts A.J. Hoffman in zijn rapport van 25 maart 2008 terecht opgemerkt dat een diagnose minder relevant is en dat het bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling gaat om de vast te stellen beperkingen.


4.3. Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.


4.4. Ten aanzien van bestreden besluit 2 overweegt de Raad als volgt.


4.5. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 2 januari 2008 afdoende toegelicht dat er in de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies ten aanzien van de beperkende toelichtingen op de aspecten 4.9 en 5.7 in de FML geen overschrijding van de belastbaarheid plaatsvindt. De Raad is verder van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige de signaleringen bij de geduide functies reeds in zijn rapport van 23 januari 2007 voldoende heeft toegelicht. Appellante heeft ten aanzien van bestreden besluit 2 geen specifieke arbeidskundige grieven aangevoerd. Gelet op de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 23 januari 2007 en van 2 januari 2008 is de Raad van oordeel dat de geduide functies voor appellante geschikt moeten worden geacht.


4.6. De Raad komt tot de conclusie dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond dient te worden verklaard.


5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2009.



(get.) J.P.M. Zeijen.



(get.) A.C.A. Wit.



KR