Centrale Raad van Beroep, 18-09-2009 / 08-3474 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7988

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering naar de klasse 35 tot 45%. Voldoende medische grondslag. De Raad is van oordeel dat de bij de schatting gebruikte functies haalbaar moeten worden geacht voor appellante. Abusievelijk is aangenomen dat de theoretische arbeidsongeschiktheidsklasse die daarbij hoort de klasse 25 tot 35% is in plaats van de klasse 35 tot 45%. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-09-18
Publicatiedatum
2009-09-22
Zaaknummer
08-3474 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/3474 WAO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 mei 2008, 07/4600 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 18 september 2009


I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Appellante heeft haar hoger beroep nader toegelicht en nadere stukken ingezonden.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2009. Appellante is verschenen. Tevens was aanwezig [naam broer], broer van appellante, wonende te [woonplaats]. Het Uwv was vertegenwoordigd door G.M.M. Diebels.


II. OVERWEGINGEN


1. Appellante is in november 2001 wegens diverse lichamelijke en psychische klachten, door de verzekeringsarts in een rapport van 29 januari 2003 aangeduid als klachten van overspanning, uitgevallen voor haar voltijdse werkzaamheden als telefoniste-receptioniste. Met ingang van 20 maart 2003 is haar een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is daarna enkele keren gewijzigd. Laatstelijk, vanaf 12 mei 2005, is haar uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.


2.1. Bij besluit van 31 mei 2007 is de WAO-uitkering van appellante ingaande 1 augustus 2007 ingetrokken, op de grond dat haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen naar minder dan 15%.


2.2. Bij besluit van 19 oktober 2007 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 31 mei 2007 gegrond verklaard, laatstgenoemd besluit herroepen en is appellante tot 20 december 2007 ongewijzigd voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt geacht. Tevens is beslist de WAO-uitkering van appellante met ingang van laatstgenoemde datum te herzien naar de klasse 25 tot 35%. Het door appellante bestreden onderdeel van het besluit van 19 oktober 2007 behelst uitsluitend de herziening van haar uitkering met ingang van 20 december 2007 naar de klasse 25 tot 35%. Dit onderdeel wordt hierna aangeduid als: het bestreden besluit.


2.3. Aan het bestreden besluit ligt een beoordeling ten grondslag volgens welke appellante nog in een maximumomvang van 24 tot 28 uur per week diverse loondienstfuncties kan vervullen. Appellante heeft in beroep tegen het bestreden besluit in het bijzonder naar voren gebracht dat zij zich niet in staat acht in die door de verzekeringsartsen vastgestelde omvang werkzaam te zijn. Appellante stelt niet meer te kunnen werken dan 12 uur per week, de omvang waarin zij op dat moment - en naar ter zitting van de Raad is gebleken: nog steeds - werkt.


3.1. De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen dat zij geen grond aanwezig acht voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op ondeskundige of onzorgvuldige wijze is verricht of dat daaraan anderszins gebreken kleven. Onder meer heeft de rechtbank daarbij laten wegen dat door de verzekeringsartsen informatie vanuit de behandelende sector - met name een behandelend revalidatiearts - in de oordeelsvorming is betrokken en dat ook de persoonlijke omstandigheden van appellante in ogenschouw zijn genomen bij vaststelling van de voor haar van toepassing te achten beperkingen.


3.2. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat door de verzekeringsartsen op begrijpelijke wijze uitvoerig is gemotiveerd dat voor het aannemen van verdergaande beperkingen geen medische grond aanwezig is, waarbij nog geldt dat van de zijde van appellante geen nadere medische stukken zijn ingebracht waarin tot een beredeneerd afwijkend medisch oordeel wordt gekomen. Aldus heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de voor appellante vastgestelde belastbaarheid. In het bijzonder geldt daarbij dat de rechtbank ook geen aanleiding heeft gezien voor een verdergaande urenbeperking dan de reeds in aanmerking genomen beperking van 24 tot 28 uur per week.


3.3. De rechtbank heeft zich voorts kunnen verenigen met de bij de schatting als voor appellante passende arbeidsmogelijkheden betrokken functies en met de mede op die functies gebaseerde vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 25 tot 35%.


4. Appellante heeft in hoger beroep staande gehouden dat haar belastbaarheid is overschat. Zij wijst op haar al vele jaren bestaande klachten en stelt dat het haar door de jaren heen steeds zwaarder valt haar werkzaamheden te verrichten. Zij werkt nog steeds in een omvang van 12 uur per week en meent dat dit de voor haar maximaal mogelijke omvang is. In de toekomst ziet zij voor zichzelf wellicht wel een werkweek van 20 uur tot de mogelijkheden behoren. Appellante wijst er voorts op dat er nog steeds onderzoeken gaande zijn naar haar klachten. Uit recente informatie van haar huisarts blijkt dat deze appellante heeft verwezen voor neurologisch onderzoek, welk onderzoek, zo is ter zitting gebleken, nog lopende is.


5.1. De Raad komt wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. Appellante heeft ook in hoger beroep geen medische stukken ingebracht die twijfel oproepen aan de juistheid van het oordeel waartoe de verzekeringsartsen zijn gekomen inzake haar beperkingen en resterende mogelijkheden op de in dit geding voorliggende datum 20 december 2007. De thans voorliggende gegevens, zoals deze uit het dossier naar voren komen, bevatten geen objectief-medische aanknopingspunten voor de eigen opvatting van appellante, in het bijzonder ook niet voor haar opvatting inzake de voor haar maximaal mogelijke arbeidsomvang. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting wijst de Raad er nog op dat appellante, indien uit het thans nog lopende neurologische onderzoek gegevens naar voren zouden komen die van belang zouden kunnen zijn voor de beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid, zich opnieuw tot het Uwv kan wenden.


5.2. Voorts is de Raad van oordeel dat, uitgaande aldus van de juistheid van de voor appellante in aanmerking genomen beperkingen, de bij de schatting gebruikte functies haalbaar moeten worden geacht voor appellante. Niet is kunnen blijken van aanwijzingen dat de belasting van deze functies de belastbaarheid van appellante zou overschrijden.


5.3. Niettemin kan het bestreden besluit in rechte geen stand houden. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv erop gewezen dat de bezwaararbeidsdeskundige bij de vaststelling van de arbeidsongeschiktheidsklasse een vergissing heeft gemaakt. De berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid is op zich juist uitgevoerd, resulterend in een mate van arbeidsongeschiktheid van circa 36%, maar vervolgens is abusievelijk aangenomen dat de theoretische arbeidsongeschiktheidsklasse die daarbij hoort de klasse 25 tot 35% is in plaats van de klasse 35 tot 45%.


5.4. De Raad heeft geen reden om de gemachtigde niet in deze uiteenzetting te volgen. Dit leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat de uitkering van appellante met ingang van 20 december 2007 wordt vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

35 tot 45%.


6. Er is niet gebleken van aan de zijde van appellante in beroep of hoger beroep gevallen proceskosten die op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding door het Uwv in aanmerking komen.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de WAO-uitkering van appellante met ingang van 20 december 2007 wordt herzien naar de klasse 35 tot 45%;

Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

Bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht van € 146,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van

M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

18 september 2009.



(get.) J.W. Schuttel.



(get.) M.A. van Amerongen.



TM