Centrale Raad van Beroep, 18-09-2009 / 08-2346 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8120

Inhoudsindicatie
Intrekking WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest. Geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de bij appellante vastgestelde beperkingen. Naar het oordeel van de Raad is (...) voldoende gemotiveerd waarom ten aanzien van de psychische klachten de FML geen bijstelling behoeft.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-09-18
Publicatiedatum
2009-09-23
Zaaknummer
08-2346 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/2346 WAO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 maart 2008, 07/3289 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 18 september 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft drs. J.C. van Beek, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2009.

Appellante noch haar gemachtigde is –zoals tevoren schriftelijk is aangekondigd– verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.


II. OVERWEGINGEN


1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak daaromtrent, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat het Uwv bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 31 juli 2007 het besluit van 29 maart 2007 heeft gehandhaafd. Bij laatstgenoemd besluit heeft het Uwv de aan appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering verleende uitkering met ingang van 30 mei 2007 ingetrokken, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.


2.1. De rechtbank heeft overwogen dat, gelet op de beschikbare medische gegevens van de behandelend sector er een zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden.


2.2. Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting heeft de rechtbank de geschiktheid van appellante onderschreven voor de werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Daarop heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten.


3. In hoger beroep heeft appellante wederom aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische en lichamelijke klachten. Voor wat betreft haar psychische klachten verwijst appellante naar de bevindingen van haar behandelend psycholoog K. Wijnands. Met betrekking tot haar lichamelijke klachten zijn met name haar gewrichts-, pols- en duimklachten, dystrofie in haar linkerarm en oogklachten onvoldoende meegewogen. Tevens wordt aangegeven dat inmiddels de diagnose fybromyalgie bij haar is gesteld. Vanwege deze klachten is appellante niet in staat de door de arbeidskundige voor haar geselecteerde functies te verrichten.


4.1 De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en ziet met de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de bij appellante vastgestelde beperkingen. De betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen waren gelet op de uitgebreide informatie van de appellante behandelende artsen op de hoogte van de (aard van de) psychische klachten. Hierdoor hebben deze verzekeringsartsen zich een, naar het oordeel van de Raad, duidelijk beeld kunnen vormen van de lichamelijke en psychische gezondheidssituatie van appellante. De Raad schaart zich achter de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep, die appellante tijdens de hoorzitting heeft gezien en gesproken. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft juist vanwege de door appellante aangegeven psychische klachten nog nadere informatie gevraagd bij Wijnands die in een brief van 21 juni 2007 uiteen heeft gezet tot welke DSM IV-classificatie zij is gekomen. Deze informatie alsmede de in bezwaar overgelegde informatie van ondermeer de Riagg Rijnmond Zuid heeft de bezwaarverzekeringsarts meegewogen in zijn rapportage van 6 juli 2007. Naar het oordeel van de Raad is daarmee voldoende gemotiveerd waarom ten aanzien van de psychische klachten de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) geen bijstelling behoeft. Ook onderschrijft de Raad hetgeen bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep in zijn de rapportage van d.d. 3 maart 2008 heeft aangegeven in een reactie op een namens appellante overgelegde brief van reumatoloog K.H. Tan d.d. 17 september 2007. Alles overziende komt de Raad tot de slotsom dat er voldoende informatie aanwezig was betreffende alle klachten van appellante om tot een afgewogen medisch oordeel te komen.


4.2. Op basis van de gedingstukken, is de Raad voorts van oordeel dat door het Uwv voldoende overtuigend is onderbouwd, dat appellante met de voor haar in de FML opgenomen beperkingen in staat moet worden geacht de geduide functies uit te oefenen.


4.3. Het vorenoverwogene leidt er toe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam, in tegenwoordigheid van M.D.F. Smit-de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2009.


(get.) R.C. Stam.


(get.) M.D.F. Smit-de Moor.


TM