Centrale Raad van Beroep, 08-09-2009 / 08-1459 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8131

Inhoudsindicatie
Herziening, intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. De feitelijke woonsituatie is doorslaggevend. Er is geen reden om appellante niet te houden aan de door haar en R tegenover de sociale recherche respectievelijk de politie afgelegde verklaringen. Daaruit komt duidelijk en gedetailleerd naar voren dat R in ieder geval vanaf de geboorte van het kind feitelijk woonachtig is geweest bij appellante. Onweerlegbaar rechtsvermoeden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-09-08
Publicatiedatum
2009-09-23
Zaaknummer
08-1459 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/1459 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 januari 2008, 07/1189 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Beverwijk (hierna: College)


Datum uitspraak: 8 september 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2009. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Bodegom en M.H. Verhagen, beiden werkzaam bij de gemeente Beverwijk. Appellante is niet verschenen.


II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante ontving bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op 3 april 2006 heeft de politie in haar woning de uitgeprocedeerde vreemdeling zonder verblijfsstatus [naam R.] (hierna: R) aangehouden. In de woning werd een bedrag van € 20.135,-- in contanten aangetroffen. Desgevraagd verklaarde R onder meer dat hij met appellante een zoontje van 5 jaar heeft en dat hij al meerdere jaren, reeds vóór de geboorte van het kind, met appellante samenwoont.


1.2. Naar aanleiding hiervan heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is appellante op 2 mei 2006 gehoord door de sociale recherche. Zij heeft toen onder meer verklaard dat zij R in 1995 heeft leren kennen, dat R een half jaar voor de geboorte van hun zoon bij haar is komen wonen, maar niet constant, en dat hij sinds de geboorte - [in] 2000 - constant bij haar woont.


1.3. Uit de bevindingen van het onderzoek heeft het College de conclusie getrokken dat appellante vanaf 28 november 2000 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met R. Door hiervan geen melding te maken, heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het College heeft bij besluit van 22 juni 2006 de bijstand over de periode van 28 november 2000 tot en met 2 april 2006 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 81.837,16 van appellante teruggevorderd.


1.4. Bij het besluit van 27 december 2006 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 juni 2006 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.


3. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangetekend overweegt de Raad het volgende.


3.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In het vierde lid, aanhef en onder b, is bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en - voor zover hier van belang - uit hun relatie een kind is geboren.


3.2. Vaststaat dat R ten tijde van zijn aanhouding zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante te [woonplaats]. Op grond van de verklaringen van appellante en R, zoals onder 1.1 en 1.2 samengevat, heeft het College zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat deze samenwoning in ieder geval bestond vanaf de geboorte van het kind [in] 2000. Eerst in hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat R tot en met 28 mei 2002 in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) ingeschreven heeft gestaan op een adres in de gemeente [naam gemeente]. Die beroepsgrond treft geen doel. Voor het antwoord op de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, is niet de inschrijving in de GBA, maar de feitelijke woonsituatie doorslaggevend. Er is geen reden om appellante niet te houden aan de door haar en R tegenover de sociale recherche respectievelijk de politie afgelegde verklaringen. Daaruit komt duidelijk en gedetailleerd naar voren dat R in ieder geval vanaf de geboorte van het kind feitelijk woonachtig is geweest bij appellante.


3.3. Appellante heeft voorts aangevoerd dat het element van wederzijdse zorg, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB, tussen haar en R ontbrak. Vanuit zijn achtergrond als moslim zou R niet of nauwelijks aan het huishouden hebben bijgedragen. Gelet op het feit dat uit de relatie van appellante met R een - ten tijde hier van belang nog minderjarig - kind is geboren en hun gemeenschappelijke hoofdverblijf, geldt evenwel het onweerlegbare rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB. Dit betekent dat het feitelijk bestaan van wederzijdse zorg in deze zaak niet van belang is. Anders dan appellante betoogt, doet het bepaalde in artikel 3, derde lid, van de WWB hieraan niet af.


3.4. Appellante heeft nog gewezen op de achterliggende reden om de samenwoning met R te verzwijgen (kort gezegd: diens uitzetting uit Nederland te voorkomen), op het belang van haar zoontje om omgang met zijn vader te behouden en op het ontbreken van voldoende financiële draagkracht. Ook deze beroepsgronden treffen geen doel. Ingevolge de - ten onrechte door de gemeenteraad vastgestelde, maar door het College als zijn eigen beleid toegepaste - “Beleidsregels Terugvordering op grond van de Wet werk en bijstand” wordt van intrekking en terugvordering slechts afgezien, indien - voor zover hier van belang - sprake is van dringende redenen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat hetgeen door appellante is aangevoerd geen dringende redenen oplevert in de hier bedoelde zin. Evenmin zijn daarin bijzondere omstandigheden gelegen die het College aanleiding hadden moeten geven om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het beleid af te wijken.


3.5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.


4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R. Kooper en R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2009.



(get.) J.C.F. Talman.



(get.) J. Waasdorp.



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.



NW