Centrale Raad van Beroep, 15-09-2009 / 08-3197 WWB + 08-3199 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8208

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. In CRvB 01-07-2008 (LJN BD6832) heeft de Raad over de beëindiging bijstand per 1 augustus 2005 geoordeeld. Geen aanleiding om over voorafgaande periode anders te oordelen. Afwijzing nieuwe aanvraag terecht. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat appellant naar aanleiding van zijn aanvraag van 23 oktober 2006 in gebreke is gebleven aan de hand van objectieve verifieerbare gegevens toereikende informatie te verstrekken over zijn actuele financiële situatie.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-09-15
Publicatiedatum
2009-09-23
Zaaknummer
08-3197 WWB + 08-3199 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/3197 WWB

08/3199 WWB


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op de hoger beroepen van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 april 2008, 07/1109 en 07/4282 (hierna: aangevallen uitspraak 1 en 2),


in de gedingen tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)


Datum uitspraak: 15 september 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A. Schuil, advocaat te Leidschendam, twee hoger beroepen ingesteld.


Het College heeft verweerschriften ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2009. Voor appellant is verschenen mr. Schuil. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.


II. OVERWEGINGEN


1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken.


1.1. De Raad verwijst voorts naar zijn tussen partijen gedane uitspraak van 1 juli 2008, LJN BD6832, waarin de beëindiging van de (aanvullende) bijstandsuitkering van appellant per 1 augustus 2005 en de afwijzing van de aanvraag om bijstand met ingang van diezelfde datum aan de orde was.


1.2. Bij besluit van 20 april 2006 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 10 mei 2002 tot en met 31 juli 2005 herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 12.494,01 van hem teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant ontoereikende inlichtingen heeft verstrekt over zijn betrokkenheid bij het bedrijf [naam bedrijf] en zijn financiële situatie met als gevolg dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


1.3. Bij besluit van 9 januari 2007 (besluit 1) heeft het College het tegen het besluit van 20 april 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.


1.4. Inmiddels had appellant op 23 oktober 2006 opnieuw een aanvraag om aanvullende bijstand ingediend. Bij besluit van 4 april 2007 is deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant onvoldoende inzicht in zijn financiële situatie heeft gegeven met als gevolg dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.


1.5. Bij besluit van 7 juni 2007 (besluit 2) is het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraken zijn de tegen de besluiten 1 en 2 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.


3. In de hoger beroepen heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. In eerste instantie is in beide zaken volstaan met verwijzing naar de beroepsgronden die zijn aangevoerd in de zaak die heeft geleid tot bovenvermelde uitspraak van de Raad van 1 juli 2008. Bij brief van 24 juli 2009 heeft de gemachtigde, met toelichting, nog een tweetal nadere stukken ingezonden, te weten: een uitdraai uit het procuratieschema per 17 december 2007 voor alle contracten van [naam bedrijf] bij de ABN AMRO en een faxbericht van de ABN AMRO [in] 2009 met bijlagen.


4. De Raad komt naar aanleiding van de beroepsgronden en het verhandelde ter zitting tot de volgende beoordeling.


Ten aanzien van de aangevallen uitspraak 1


4.1. De Raad stelt voorop dat met zijn uitspraak van 1 juli 2008 de beëindiging van de bijstand per 1 augustus 2005 en de afwijzing van de bijstand per die datum in rechte onaantastbaar zijn geworden. De Raad stelt verder vast dat aan de hier in geding zijnde intrekking en terugvordering hetzelfde feitencomplex en dezelfde motivering ten grondslag zijn gelegd als in de zaak die tot de uitspraak van 1 juli 2008 heeft geleid.

De Raad ziet geen aanleiding daarover thans ten aanzien van de in geding zijnde periode anders te oordelen. De Raad neemt daarbij enerzijds in aanmerking dat genoegzaam vaststaat dat de in die uitspraak vastgestelde feiten en omstandigheden zich niet enkel op of rond 1 augustus 2005 hebben voorgedaan maar dat daarvan ook reeds sprake was gedurende de periode van intrekking en terugvordering en anderzijds dat in hoger beroep geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die een ander licht op de situatie over de periode van 10 mei 2002 tot en met 31 juli 2005 kunnen werpen.


4.2. Dit betekent dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak 1 dient te worden bevestigd.


Ten aanzien van de aangevallen uitspraak 2


4.3. De Raad stelt voorop dat de hier in geding te beoordelen periode het tijdvak betreft van 23 oktober 2006 tot en met 4 april 2007, zijnde de datum van het primaire besluit.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat appellant naar aanleiding van zijn aanvraag van 23 oktober 2006 in gebreke is gebleven aan de hand van objectieve verifieerbare gegevens toereikende informatie te verstrekken over zijn actuele financiële situatie. De Raad voegt daaraan nog toe dat het op de weg van de aanvrager van (aanvullende) bijstand ligt om aannemelijk te maken dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert en dienaangaande volledige openheid van zaken dient te geven. Uit de stukken komt onder meer naar voren dat de op naam van appellant staande creditcard ten behoeve van [naam bedrijf] en de bestaande tekenbevoegdheid van appellant pas in december 2007 formeel zijn ingetrokken en dat appellant daarnaast ook na 13 oktober 2006 (de gestelde datum van mutatie van [naam bedrijf] bij de ABN AMRO van appellant naar [L.]) gemachtigd was en is gebleven ten aanzien van vier van de bankrekeningen van [naam bedrijf]. Appellant heeft weliswaar betoogd geen feitelijk gebruik te hebben gemaakt van de creditcard van [naam bedrijf] of van de betreffende bankrekeningen, maar hij heeft dit niet afdoende aangetoond aan de hand van objectieve verifieerbare gegevens zoals bijvoorbeeld bankafschriften. Dat [L.], de huidige eigenaar van [naam bedrijf], daartoe na 13 oktober 2006 in het geheel niet meer bereid is, moet onder de gegeven omstandigheden voor rekening en risico van appellant worden gelaten. Het College heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van schending van de inlichtingenplicht door appellant het recht op bijstand, in aanvulling op zijn AOW-pensioen, ten tijde hier in geding niet is vast te stellen.


4.4. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat ook de aangevallen uitspraak 2 dient te worden bevestigd.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraken.


Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2009.


(get.) R.H.M. Roelofs.


(get.) R.L.G. Boot.


RB