Centrale Raad van Beroep, 16-09-2009 / 08-1018 WAO + 08-2771 ZW


ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8432

Inhoudsindicatie
Intrekking WAO-uitkering en weigering verder ziekengeld. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat er geen reden is om de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts voor akkoord bevonden beperkingen voor onjuist te houden en onderschrijft de daartoe door de rechtbank gegeven overwegingen. Hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd geeft geen reden voor een ander oordeel nu zij geen medische onderbouwing heeft gegeven voor haar stelling dat haar medische beperkingen zijn onderschat. De Raad ziet in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding voor twijfel aan het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts dat appellante op 15 oktober 2007 weer in staat was de werkzaamheden van ten minste één van de WAO-functies te vervullen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-09-16
Publicatiedatum
2009-09-24
Zaaknummer
08-1018 WAO + 08-2771 ZW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/1018 WAO en 08/2771 ZW


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 januari 2008, 07/2054 en van 21 maart 2008, 07/3998 (hierna: respectievelijk aangevallen uitspraak 1 en aangevallen uitspraak 2),


in de gedingen tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 16 september 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. F.T.I. Oey, advocaat te Helmond, in beide zaken hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante was werkzaam als productiemedewerkster toen zij op 21 juli 1998 uitviel met buikklachten. Later zijn daar psychische klachten bij gekomen. Met ingang van 20 juli 1999 is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Sindsdien is zij volledig arbeidsongeschikt geacht.


1.2. In het kader van een herbeoordeling op basis van het aangepaste Schattingsbesluit is appellante op 21 juni 2006 onderzocht door een verzekeringsarts die haar aangewezen acht op werkzaamheden die in enige rust en regelmaat plaatsvinden. In overeenstemming hiermee heeft deze verzekeringsarts beperkingen vastgesteld ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren en aanpassingen aan de fysieke omgevingseisen en deze beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 21 juni 2006. Op basis van deze FML heeft een arbeidsdeskundige functies geselecteerd uit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) en op basis van deze functies het verlies aan verdiencapaciteit van appellante berekend op minder dan 15%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 8 september 2006 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 7 november 2006 ingetrokken. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 7 juni 2007 (bestreden besluit 1).


1.3. Per 11 september 2007 heeft appellante zich ziek gemeld vanuit de WW. Na medisch onderzoek op 10 oktober 2007 heeft de verzekeringsarts appellante per 15 oktober 2007 hersteld verklaard voor de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 10 oktober 2007 beslist dat appellante met ingang van 15 oktober 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 16 november 2007 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.


08/1018 WAO


3. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat haar medische beperkingen zijn onderschat. De klachten van haar postnatale depressie duren nog steeds voort, zij heeft nog steeds last van migraine-achtige hoofdpijnen en zij is vrijwel iedere dag misselijk. Zij acht zich niet in staat de geselecteerde functies te verrichten.


4.1. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat er geen reden is om de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts voor akkoord bevonden beperkingen voor onjuist te houden en onderschrijft de daartoe door de rechtbank gegeven overwegingen. Hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd geeft geen reden voor een ander oordeel nu zij geen medische onderbouwing heeft gegeven voor haar stelling dat haar medische beperkingen zijn onderschat.


4.2. Met de rechtbank ziet de Raad evenmin aanleiding voor twijfel aan de arbeidskundige onderbouwing van bestreden besluit 1. De arbeidsdeskundige heeft de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante gebaseerd op de functies soldering technician (Sbc-code 111180), schoonmaker (Sbc-code 111134) en oplegger/boekettenmaker/inpakker (Sbc-code 111190). De Raad acht de gegeven toelichtingen op de in het resultaat functiebeoordeling voorkomende signaleringen toereikend en overtuigend. Ten aanzien van de in beroep en hoger beroep overgelegde rapportages van register arbeidsdeskundige E.H.J.M. Spanjers van respectievelijk

28 juni 2007 en 4 maart 2008 is de Raad van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige in diens rapportages van respectievelijk 7 augustus 2007 en 10 april 2008 genoegzaam heeft toegelicht waarom de geselecteerde functies ondanks de bezwaren van Spanjers geschikt te achten zijn voor appellante.

Dit betekent dat de aangevallen uitspraak 1 dient te worden bevestigd.


08/2771 ZW


5. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat zij nog steeds last heeft van een langdurige depressie, aanvallen van migraine en hyperventilatie. Haar beperkingen zijn veel ernstiger dan door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgesteld. Ook als de beperkingen wel juist zijn vastgesteld acht appellante zich niet geschikt voor de functie van soldering technician.


6. De Raad oordeelt als volgt.


6.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.


6.2. In dit geval geldt als “zijn arbeid” ten minste één van de hiervoor in het kader van de intrekking van de WAO-uitkering van per 7 november 2006 genoemde functies.


6.3. De Raad stelt in dit verband vast dat appellante primair is onderzocht door een verzekeringsarts, die beschikte over de medische gegevens uit het WAO-dossier. Deze verzekeringsarts achtte de medische situatie van appellante weer dezelfde als ten tijde van de WAO-beoordeling en achtte appellante geschikt voor de in het kader van de WAO geselecteerde functies. De bezwaarverzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd, appellante op het spreekuur van 14 november 2007 gezien en telefonisch op 15 november 2007 nog informatie verkregen van de huisarts van appellante. Op basis hiervan heeft de bezwaarverzekeringsarts de conclusies van de verzekeringsarts bevestigd.


6.4. De Raad ziet in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding voor twijfel aan het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts dat appellante op 15 oktober 2007 weer in staat was de werkzaamheden van ten minste één van de WAO-functies te vervullen. De vraag of appellante al dan niet geschikt te achten is voor de functie van soldering technician kan hierbij dan ook in het midden gelaten worden.

Gelet hierop dient aangevallen uitspraak 2 te worden bevestigd.


7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraken.


Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2009.


(get.) Ch. van Voorst.


(get.) F. Heringa.


TM