Centrale Raad van Beroep, 08-09-2009 / 08-533 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8447

Inhoudsindicatie
Ingangsdatum toekenning bijstand. Bijzondere omstandigheden. De Raad is ten aanzien van de - onbetwiste - (terug)melding van appellant bij de dienst arbeid en inkomen op 31 augustus 2005 van oordeel dat appellant bij die gelegenheid van de dienst duidelijkheid had behoren te verkrijgen over zijn rechtspositie. De dienst mocht bekend worden verondersteld met het feit dat de bijstand van appellant reeds bij besluit van 12 juli 2005 was ingetrokken. Aan te nemen valt dat appellant dan onmiddellijk een aanvraag om bijstand zou hebben ingediend, waarvan hij door de nalatigheid van de dienst is afgehouden. De Raad acht hierbij van belang dat appellant met zijn (terug)melding op 31 augustus 2005 zijn vermeend recht op bijstand wilde continueren. Het vorenstaande dient dan ook naar het oordeel van de Raad aangemerkt te worden als bijzondere omstandigheden op grond waarvan aan appellant met terugwerkende kracht tot 31 augustus 2005 bijstand dient te worden toegekend.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-09-08
Publicatiedatum
2009-09-24
Zaaknummer
08-533 WWB
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2009, 240
  • USZ 2009/331
Uitspraak

08/533 WWB



Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[appellant] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 december 2007, 06/4136 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda (hierna: College)



Datum uitspraak: 8 september 2009



I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. S. van der Giesen, advocaat te Gouda, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg. nr. 08/532 WWB, plaatsgevonden op 16 juni 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Giesen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst en wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 12 juli 2005 is de bijstand van appellant beëindigd (lees: ingetrokken) met ingang van 11 juli 2005 omdat hij niet is verschenen op een tweetal afspraken bij de dienst arbeid en inkomen (DAI) van de gemeente Gouda.


1.2. Appellant is van 25 juli 2005 tot en met 30 augustus 2005 in Marokko geweest.

Hij heeft niet voorafgaand aan zijn vertrek om toestemming gevraagd, wel heeft appellant op 25 juli 2005 vanuit Spanje telefonisch contact gehad met de DAI. Op 31 augustus 2005 heeft appellant zich persoonlijk bij de DAI teruggemeld van zijn verblijf in Marokko. Appellant heeft aangegeven dat hij met spoed naar Marokko was vertrokken omdat zijn dochtertje daar ziek was geworden. Pas na dit gesprek bij de DAI is het appellant duidelijk geworden dat zijn bijstandsuitkering was beëindigd. Hij heeft zich vervolgens op 6 september 2005 bij het CWI gemeld voor een bijstandsaanvraag. Het door appellant alsnog tegen het besluit van 12 juli 2005 ingediende bezwaar is wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard, tegen welk besluit appellant geen be-roep heeft ingesteld, zodat dit formele rechtskracht heeft verkregen.


1.3. Bij besluit van 20 oktober 2005 heeft het College aan appellant met ingang van 6 september 2005 opnieuw bijstand toegekend. Het College heeft bij besluit van 29 maart 2006 het bezwaar tegen de ingangsdatum van de bijstand ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met beslissingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 29 maart 2006 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd wegens een ondeugdelijke motivering en voorts bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 29 maart 2006 in stand zijn gelaten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Voor zover appellant met zijn bezwaar tegen de ingangsdatum van de bijstand heeft beoogd dat het College terugkomt van zijn besluit van 12 juli 2005 onderschrijft de Raad de overwegingen van de rechtbank zoals opgenomen in de aangevallen uitspraak en is ook de Raad van oordeel dat hetgeen appellant heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht.


4.2. Voor zover appellant met zijn bezwaar tegen de ingangsdatum van de bijstand heeft beoogd dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan hij in aanmerking dient te komen voor toekenning van bijstand met terugwerkende kracht tot 25 juli 2005 dan wel 31 augustus 2005 overweegt de Raad als volgt.


4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.


4.4. De Raad stelt vast dat appellant tijdens zijn reis naar Marokko op 25 juli 2005 vanuit Spanje telefonisch contact heeft opgenomen met de DAI. Aangezien op grond van artikel 43, eerste lid, van de WWB een telefonische bijstandsaanvraag niet mogelijk is, kan dit telefonisch contact naar het oordeel van de Raad niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid als bedoeld onder 4.3. Van een melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de WWB kan evenmin worden gesproken.


4.5. De Raad is ten aanzien van de - onbetwiste - (terug)melding van appellant bij de DAI op 31 augustus 2005 van oordeel dat appellant bij die gelegenheid van de dienst duidelijkheid had behoren te verkrijgen over zijn rechtspositie. De dienst mocht bekend worden verondersteld met het feit dat de bijstand van appellant reeds bij besluit van 12 juli 2005 was ingetrokken. Aan te nemen valt dat appellant dan onmiddellijk een aanvraag om bijstand zou hebben ingediend, waarvan hij door de nalatigheid van de dienst is afgehouden. De Raad acht hierbij van belang dat appellant met zijn (terug)melding op 31 augustus 2005 zijn vermeend recht op bijstand wilde continueren. Het vorenstaande dient dan ook naar het oordeel van de Raad aangemerkt te worden als bijzondere omstandigheden op grond waarvan aan appellant met terugwerkende kracht tot 31 augustus 2005 bijstand dient te worden toegekend.


4.6. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten ten aanzien van de ingangsdatum van de bijstand niet in stand kan blijven. Het beroep tegen het besluit van 29 maart 2006 is in zoverre gegrond en dit besluit zal worden vernietigd voor zover daarbij de na 31 augustus 2005 gelegen ingangsdatum van de bijstand is gehandhaafd.


4.7. Gelet op het voorgaande zal de Raad zelf in de zaak voorzien. De Raad zal daartoe het besluit van 20 oktober 2005 herroepen wat betreft de ingangsdatum van de uitkering en die datum bepalen op 31 augustus 2005.


5. De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 322,--.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten ten aanzien van de ingangsdatum van de bijstand;

Herroept het besluit van 20 oktober 2005 wat betreft de ingangsdatum van de bijstand;

Bepaalt de ingangsdatum van de bijstand op 31 augustus 2005;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2009.



(get.) R. Kooper.



(get.) M.C.T.M. Sonderegger.


RB