Centrale Raad van Beroep, 23-09-2009 / 08-4799 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8472

Inhoudsindicatie
Bij rechtens vaststaand besluit is appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd op de grond dat sedert 24 maart 1993 geen periode is aan te wijzen waarin hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Weigering terug te komen op dit besluit. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. In dat kader is de Raad - evenals de rechtbank - van oordeel dat in de door appellant ingebrachte medische gegevens en rapporten geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden gevonden kunnen worden zoals in artikel 4:6 van de Awb bedoeld. Ten aanzien van de door appellant ingebrachte rapporten van het Instituut Psychosofia en van de medisch adviseur, O. Schreuder, orthopedisch chirurg, overweegt de Raad dat de daarin weergegeven opvattingen en conclusies niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Voor het instellen door de bestuursrechter van een onderzoek door een onafhankelijk medisch deskundige zoals door appellant bepleit, is in gevallen als het onderhavige geen plaats aangezien dit niet verenigbaar is met de aard en omvang van de toetsing van een besluit dat is gebaseerd op het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb. Nu de overige door appellant ingebrachte informatie niet ziet op de datum hier in geding kan ook deze informatie hem niet baten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-09-23
Publicatiedatum
2009-09-29
Zaaknummer
08-4799 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/4799 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juli 2008, 08/27 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 23 september 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2009. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door S.N. Westmaas.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Bij rechtens vaststaand besluit van 12 februari 2001 is appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd op de grond dat sedert 24 maart 1993 geen periode is aan te wijzen waarin hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest.

Bij brief van 24 oktober 2005 heeft appellant het Uwv verzocht om van dat besluit terug te komen, omdat uit nadere onderzoeken van twee medische adviseurs is gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die een herziening van het besluit van 12 februari 2001 rechtvaardigen.


1.2. Nadat appellant op 1 december 2006 bezwaar had gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op voormeld verzoek is hij op 11 april 2007 door de verzekeringsarts onderzocht. Deze arts heeft tevens kennis genomen van de door appellant ingebrachte rapporten van de medische adviseurs (en de daarbij behorende medische informatie van de behandelende sector) en heeft geconcludeerd dat er geen redenen zijn om terug te komen van het besluit van 12 februari 2001.


1.3. Bij besluit van 16 juli 2007 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat het besluit van 12 februari 2001 wordt gehandhaafd. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Nadat de bezwaarverzekeringsarts op 30 november 2007 advies heeft uitgebracht, heeft het Uwv bij besluit van 5 december 2007 het bezwaar ongegrond verklaard met als reden dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aangevoerd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat de door appellant aangevoerde argumenten geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) in de zin van artikel 4:6 van de Awb opleveren. In 2001 was bekend dat de klachten van appellant waren ontstaan na een kaakoperatie in 1991 en de verzekeringsarts had destijds wel rekening gehouden met die klachten. Daarnaast was de rechtbank van oordeel dat de opvattingen van een medisch adviseur evenmin aangemerkt kunnen worden als nova.


3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.


3.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.


3.2. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden pas sprake kan zijn wanneer het feiten en/of omstandigheden betreft die, indien zij gelegen zijn vóór de datum van het besluit waarvan herziening wordt verzocht, de betrokkene niet kende noch behoorde te kennen en wanneer deze feiten en/of omstandigheden van zodanige aard zijn dat zij in beginsel tot een inhoudelijk andere beslissing aanleiding kunnen geven.


3.3. In dat kader is de Raad - evenals de rechtbank - van oordeel dat in de door appellant ingebrachte medische gegevens en rapporten geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden gevonden kunnen worden zoals in artikel 4:6 van de Awb bedoeld.


3.3.1. De Raad stelt allereerst vast dat het merendeel van de door appellant ingebrachte medische informatie, brieven van de behandelende sector betreft die dateren van de periode 1996 tot 2001, dus van vóór de datum van het besluit waarvan herziening wordt verzocht. Uit de aard der zaak was appellant van deze informatie op de hoogte en had hij die informatie destijds al kunnen inbrengen. De Raad volgt de gemachtigde van appellant niet in haar stelling dat de verzekeringsarts deze informatie had moeten opvragen. Immers uit de door diezelfde verzekeringsarts destijds gevraagde inlichtingen van de huisarts van appellant van 15 april 2000, blijkt dat alle op verwijzing van de huisarts geëntameerd medisch specialistisch onderzoek, waaronder van drie KNO-artsen en twee neurologen, geen aanwijsbare oorzaken voor de klachten van appellant hebben opgeleverd. In dat licht bezien had het mitsdien op de weg van appellant gelegen om medische informatie in te brengen waarvan hij meent dat zijn standpunt daarmee ondersteund kan worden.


3.3.2. Ook kan de Raad de gemachtigde van appellant niet volgen in haar stelling dat de verzekeringsarts niet op de hoogte was van de inhoud van de brief van de neuroloog, A.T. Tjiam, van 22 maart 1996. Uit deze brief blijkt immers dat appellant op verwijzing van zijn huisarts door deze neuroloog is onderzocht en heeft deze neuroloog met de hier bedoelde brief verslag van zijn bevindingen aan die huisarts gedaan. De neurologische diagnose luidde: myogene hoofdpijn zonder duidelijk neurologisch substraat. De Raad ziet geen reden om aan te nemen dat de bevindingen van de neuroloog Tjiam niet begrepen zouden zijn bij de in 3.3.1 vermelde verstrekte inlichtingen van de huisarts aan de verzekeringsarts. Overigens zouden zij niet tot een andersluidend oordeel kunnen leiden.


3.3.3. Wat betreft de rapportage van KLIQ Rijnmond van 5 oktober 2001, uitgebracht op verzoek en ten behoeve van de Gemeentelijke sociale dienst van Rotterdam, is de Raad eveneens van oordeel dat in hetgeen daar wordt vermeld geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb kunnen worden gevonden. De conclusie van de arbeidsmedische adviseur dat bij appellant sprake is van ziekte of gebreken die leiden tot structurele functionele beperkingen van lichamelijke, verstandelijke of psychische aard mist allereerst een adequate medische onderbouwing en is overigens gebaseerd op de bij het Uwv ten tijde hier van belang bekende klachten van appellant.


3.3.4. Ten aanzien van de door appellant ingebrachte rapporten van het Instituut Psychosofia en van de medisch adviseur, O. Schreuder, orthopedisch chirurg, overweegt de Raad dat de daarin weergegeven opvattingen en conclusies niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Voor het instellen door de bestuursrechter van een onderzoek door een onafhankelijk medisch deskundige zoals door appellant bepleit, is in gevallen als het onderhavige geen plaats aangezien dit niet verenigbaar is met de aard en omvang van de toetsing van een besluit dat is gebaseerd op het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb. Nu de overige door appellant ingebrachte informatie niet ziet op de datum hier in geding kan ook deze informatie hem niet baten.


4. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Rechtdoende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter, H. Bedee en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009.


(get.) C.P.J. Goorden.


(get.) F. Heringa.


TM