Centrale Raad van Beroep, 16-09-2009 / 08-2016 ZW


ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8479

Inhoudsindicatie
Geen recht meer op ziekengeld omdat hij niet meer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. In dit geval geldt als “zijn arbeid” ten minste één van de appellant bij de WAO-beoordeling op basis van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) voorgehouden functies. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen die tot dat oordeel geleid hebben. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat uit (de) rapportages geen toename van de psychische klachten van appellant in 2005 afgeleid kan worden. Appellant is met de beperkingen onveranderd geschikt te achten voor de in het kader van de WAO geselecteerde functies.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-09-16
Publicatiedatum
2009-09-24
Zaaknummer
08-2016 ZW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/2016 ZW


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 februari 2008, 06/1575 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 16 september 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.A.C. van Etten, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2009. Appellant is verschenen bij voornoemde gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. van der Berkt.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Aan appellant is in verband met psychische klachten ingaande 1 december 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Vanaf 2 februari 2004 had hij recht op een uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Appellant heeft zich op 21 maart 2005 vanuit een situatie van werkloosheid ziek gemeld met psychische klachten. Bij besluit van 1 september 2005 heeft het Uwv bepaald dat met ingang van 29 augustus 2005 geen recht meer bestaat op ziekengeld omdat hij niet meer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Appellant heeft zich vervolgens opnieuw met psychische klachten ziek gemeld per 5 september 2005. Bij besluit van 11 november 2005 heeft het Uwv meegedeeld dat appellant per gelijke datum geen recht (meer) heeft op ziekengeld omdat hij niet meer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.


1.2. Bij besluit van 7 februari 2006 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 1 september 2005 en 1 november 2005 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat er geen reden was om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het Uwv dat appellant per 29 augustus 2005, respectievelijk 11 november 2005 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.


3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het vanaf het moment dat hij zich ziek meldde slechter met hem is gegaan. Appellant put daarvoor steun uit de rapportage van 29 mei 2007 van deskundige psychiater R.P. Soeters die de Raad in de eerdere procedure (05/252) tegen de WAO-herziening per 2 februari 2004 van advies heeft gediend en de in die procedure door appellant overgelegde rapportage van psychiater W.C. Bohlmeijer van 4 augustus 2006. Verder voert appellant aan dat er behalve psychische klachten ook nog lichamelijke klachten waren: hartkloppingen, rug- en schouderpijn.


4.1. De Raad overweegt als volgt.


4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.


4.3. In dit geval geldt als “zijn arbeid” ten minste één van de appellant bij de WAO-beoordeling op basis van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 3 november 2003 per 2 februari 2004 voorgehouden functies. Het gaat om de functies medewerker metaal (sbc-code 111171), spuiter (sbc-code 262170) en samensteller (sbc-code 267050).


4.4. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen die tot dat oordeel geleid hebben. De Raad voegt hier nog aan toe dat de deskundige Soeters in diens rapportage van 29 mei 2007 met betrekking tot de datum 2 februari 2004 spreekt van een aanpassingsstoornis of een obsessieve compulsieve stoornis en dat de in feite almaar groeiende impasse waarin appellant is geraakt tot een toename van de (in DSM-IV termen) As 1 symptomatologie in de daarop volgende jaren leidt. De psychiater Bohlmeijer, die appellant op 5 december 2005, 19 december 2005 en 16 januari 2006 heeft gezien stelt in diens rapportage van 4 augustus 2006 onder meer dat op As 1 sprake is van een recidiverende depressieve stoornis. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat uit genoemde rapportages geen toename van de psychische klachten van appellant in 2005 afgeleid kan worden. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant immers op 21 december 2005 tijdens het spreekuur gezien en daarbij geconstateerd dat de stemming niet depressief was, dat appellant zich weerbaar opstelt en de discussie niet mijdt. De Raad neemt daarbij voorts in aanmerking dat in de loop van de jaren meerdere psychiaters, alsmede meerdere bezwaarverzekeringsartsen tot diagnoses op DSM-As 2 zijn gekomen en dat het met name de persoonlijkheidsproblematiek is die op de voorgrond staat. Alleen psychiater Bohlmeijer noemt een diagnose op DSM-As 1. Appellant heeft geen nieuwe medische informatie overgelegd op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat zijn psychische beperkingen zijn toegenomen ten opzichte van de op 2 februari 2004 geldende vastgestelde mogelijkheden van appellant. Voor wat betreft de door appellant gestelde hartklachten, rug- en schouderklachten onderschrijft de Raad het standpunt van het Uwv dat deze eerst na de onderhavige data in geding zijn opgekomen.


4.5. De Raad overweegt voorts dat de bezwaarverzekeringsarts in diens rapportage van 21 juni 2007 (opgemaakt in het kader van de WAO-procedure 05/252 en de onderhavige zaken) heeft aangegeven dat de FML van 3 november 2003 in verband met de door deskundige Soeters genoemde persoonlijkheidsproblematiek een lichte nuancering behoeft op de aspecten 2.6 en 2.7 van de FML en dat deze beperkingen ook gelden op de in deze beroepszaak relevante data van 29 augustus 2005 en 11 november 2005. Voorts valt uit de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 31 juli 2007 af te leiden dat appellant met deze beperkingen onveranderd geschikt te achten is voor de in het kader van de WAO geselecteerde functies.


4.6. Met betrekking tot de herziening van de WAO-uitkering per 11 september 2006 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% overweegt de Raad dat deze uitsluitend uit zorgvuldigheidsoverwegingen tot stand is gekomen. Naar het oordeel van de Raad ligt hierin geen grond om voor wat betreft de data in geding tot een toename van de beperkingen te concluderen.


5. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2009.


(get.) Ch. van Voorst.


(get.) F. Heringa


TM