Centrale Raad van Beroep, 22-09-2009 / 09-441 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9623

Inhoudsindicatie
Niet verschoonbare termijnoverschrijding indienen bezwaarschrift.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-09-22
Publicatiedatum
2009-10-08
Zaaknummer
09-441 WWB
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2009/428
  • USZ 2009/343 met annotatie van Red.
  • JB 2009/258
Uitspraak

09/441 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 december 2008, 08/982 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg (hierna: College)


Datum uitspraak: 22 september 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. E.A. Kazzaz-de Hoog, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2009. Appellante is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.M.J. Vos-Kersten, werkzaam bij de gemeente Leidschendam-Voorburg.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante ontving vanaf 1 oktober 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), berekend naar de norm van een alleenstaande ouder.


1.2. Naar aanleiding van de melding door de voormalige echtgenoot van appellante dat hij vermoedt dat zij samenwoont en onroerend goed bezit in Italië heeft de sociale recherche Leidschendam-Voorburg onderzoek verricht. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 9 augustus 2007. Bij besluit van 23 augustus 2007 heeft het College de bijstand met ingang van 1 februari 2007 ingetrokken op de grond dat appellante onjuiste inlichtingen heeft verstrekt omtrent haar woonsituatie in die zin dat zij verzwegen heeft dat haar partner vanaf genoemde datum hoofdzakelijk bij haar verblijft. Bij besluit van 13 september 2007 heeft het College de over de periode van 1 februari 2007 tot en met 30 augustus 2007 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.080,74 netto van appellante teruggevorderd.


1.3. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 23 augustus 2007 en 13 september 2007. Bij besluit van 3 januari 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 23 augustus 2007 niet-ontvankelijk verklaard op grond van - kort gezegd - niet-verschoonbare termijnoverschrijding en het bezwaar tegen het besluit van 13 september 2007 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 januari 2008 ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt ten aanzien van de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 23 augustus 2007 tot de volgende beoordeling.


4.1. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.


4.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 30 september 2003, LJN AM0355, dient - in geval van toezending van een besluit - voor de vaststelling dat aan de wettelijke voorwaarden voor het aanvangen van de bezwaartermijn is voldaan, zowel de verzending als de aanbieding van de zending (aan het juiste adres) vast te staan dan wel voldoende aannemelijk te zijn gemaakt.

Daarbij geldt dat niet is uitgesloten dat ook langs andere weg dan aangetekende verzending per TNT Post kan worden aangetoond dan wel voldoende aannemelijk gemaakt dat aan deze vereisten is voldaan.


4.3. Het besluit van 23 augustus 2007 is niet aangetekend via TNT Post verzonden en het College erkent dat er geen bewijs is dat het besluit op (donderdag) 23 augustus 2007 is verzonden. Naar de mening van appellante volgt daaruit dat 24 augustus 2007 niet als ingangsdatum van de bezwaartermijn kan dienen. De Raad onderschrijft dit standpunt niet. Appellante erkent dat zij het besluit heeft ontvangen, waaruit moet worden afgeleid dat het besluit is verzonden en dat de aanbieding van het poststuk met het besluit aan het adres van appellante heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de Raad bestaat eerst aanleiding om te veronderstellen dat het besluit later dan op 23 augustus 2007 is verzonden als sprake is van een niet ongeloofwaardige ontkenning door appellante van de ontvangst ervan op 24 augustus 2007. In die situatie ligt het op de weg van het College om aannemelijk te maken dat het besluit op 23 augustus 2007 is verzonden. De Raad stelt vast dat appellante zich in het geheel niet heeft uitgelaten over de dag waarop zij het besluit van 23 augustus 2007 heeft ontvangen en derhalve ook niet gesteld heeft dat de ontvangst ervan (veel) later was dan op 24 augustus 2007. Naar aanleiding van het verzoek van de zijde van de commissie voor de behandeling van bezwaarschriften om een toelichting waarom het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend heeft de gemachtigde van appellante volstaan met de mededeling dat zij formeel bestrijdt dat de beslissing op 23 augustus 2007 is verzonden. Onder deze omstandigheden gaat de Raad ervan uit dat het besluit daadwerkelijk op 23 augustus 2007 is verzonden.


4.4. Gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen kan als vaststaand worden aangenomen dat de termijn voor het maken van bezwaar is aangevangen op 24 augustus 2007. De laatste dag waarop een bezwaarschrift kon worden ingediend was op 4 oktober 2007. Aangezien het bezwaarschrift, gedagtekend 4 oktober 2007, eerst op 8 oktober 2007 per fax en per post is verzonden, stelt de Raad vast dat ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift de termijn om bezwaar te maken was verstreken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Het College heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 augustus 2007 daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.


4.5. Gelet op de door appellante in hoger beroep aangevoerde gronden stelt de Raad vast dat appellante het oordeel van de rechtbank voor zover dat ziet op de terugvordering van gemaakte kosten van bijstand niet heeft betwist.


4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2009.


(get.) R.H.M. Roelofs.


(get.) C. de Blaeij.


IJ