Centrale Raad van Beroep, 30-09-2009 / 08-4671 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9687

Inhoudsindicatie
Intrekking WAO-uitkering. Medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts voldoende zorgvuldig. De belasting in de geselecteerde functies levert geen overschrijding op van de belastbaarheid van appellante.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-09-30
Publicatiedatum
2009-10-09
Zaaknummer
08-4671 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/4671 WAO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 juli 2008, 07/7581 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 30 september 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2009. Voor appellante is verschenen mr. Van Es. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als medewerkster wasserij, is op 25 september 1995 uitgevallen met diverse klachten. Aansluitend aan de wachttijd is appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is appellante op het spreekuur van 12 juli 2006 door verzekeringsarts I. Eygür onderzocht. Deze heeft geconcludeerd dat appellante beperkingen heeft op persoonlijk en sociaal functioneren en dat zij vanwege haar astma in een stofarme omgeving moet werken. Met inachtneming van deze beperkingen heeft Eygür de functionele mogelijkheden van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 juli 2006. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige A.M. Zierikzee op 3 oktober 2006 een rapport uitgebracht. In dit rapport is hij tot de conclusie gekomen dat appellante geschikt kan worden geacht voor functies die vanuit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) zijn verkregen. Op basis van drie van deze functies heeft Zierikzee het verlies aan verdiencapaciteit van appellante berekend op minder dan 15%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 6 oktober 2006 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 4 december 2006 ingetrokken.


1.2. Bij besluit van 30 augustus 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante, na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn, ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante zich – onder verwijzing naar de gronden in beroep – op het standpunt gesteld dat de signaleringen door het Uwv onvoldoende zijn gemotiveerd en dat haar psychische klachten onvoldoende bij de beoordeling zijn meegewogen. Ter onderbouwing heeft appellante nadere informatie van de psychiater M.E. de Kruiff van 4 september 2008, van haar huisarts van 10 september 2008 en een rapportage integraal medisch arbeidskundig advies van 19 januari 2009 overgelegd.


4.1. De Raad overweegt als volgt.


4.2. De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geweest en ziet met de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. Daarbij tekent de Raad aan dat verzekeringsarts Eygür op het spreekuur van 12 juli 2006 appellante lichamelijk en psychisch heeft onderzocht en de nader ingekomen informatie van de psychiater E. van Barneveld-de Lange van 25 juli 2006 bij de beoordeling heeft meegewogen.

De bezwaarverzekeringsarts Van Duijn heeft, zoals blijkt uit de rapportage van 1 augustus 2007, een expertise laten uitvoeren door psychiater E.F. van Ittersum. Deze heeft appellante op 15 mei 2007 onderzocht en daarvan op 27 juli 2007 uitgebreid gerapporteerd. Van Ittersum is tot de conclusie gekomen dat bij appellante sprake is van een aanpassingsstoornis met gemengd angstige en depressieve stemming, matig ernstig, bij een GAF-score van 60. Daarbij beschikte hij over de informatie van de behandelend psychiater Van Barneveld-de Lange van 11 juni 2007. Van Duijn is vervolgens tot de conclusie gekomen dat het aanvullend onderzoek de visie van de verzekeringsarts Eygür bevestigt en dat de belastbaarheid van appellante in de FML van 12 juli 2006 correct is weergegeven. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts overwogen dat appellante in de bezwaarfase geen nieuwe medische feiten of omstandigheden heeft aangevoerd. De in hoger beroep overgelegde informatie kan naar het oordeel van de Raad, mede gelet op de reactie van bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker van 18 augustus 2009, niet tot een ander oordeel leiden nu deze informatie geen nieuwe nog niet eerder onderkende medische gegevens bevat. Daarbij tekent de Raad aan dat het integraal medisch arbeidskundig advies ziet op een periode ruim na de datum hier in geding, 4 december 2006.


4.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag overweegt de Raad als volgt.


4.4. De Raad stelt vast dat de schatting – zoals blijkt uit de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige D.L.A. Politon van 11 november 2008 bezien in samenhang met de arbeidsmogelijkhedenlijst van 3 oktober 2006 – uiteindelijk berust op de functies bezorger kranten (sbc-code 111230), inpakker (sbc-code 111190) en medewerker tuinbouw (sbc-code 111010). De arbeidsdeskundige Zierikzee heeft deze functies met inachtneming van de FML van 12 juli 2006 beoordeeld en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 15%.


4.5. Uitgaande van de juistheid van de FML van 12 juli 2006 is de Raad van oordeel dat de arbeidsdeskundige Zierikzee in zijn rapportage van 3 oktober 2006 en de bezwaararbeidsdeskundige D.L.A. Politon in de rapportage van 29 augustus 2007 aangevuld bij rapportage van 11 november 2008, genoegzaam hebben gemotiveerd waarom de belasting in de geselecteerde functies geen overschrijding oplevert van de belastbaarheid van appellante.


4.6. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op juiste gronden de WAO-uitkering van appellante met ingang van 4 december 2006 heeft ingetrokken. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.


5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.


(get.) C.P.J. Goorden.


(get.) J.M. Tason Avila.


EK