Centrale Raad van Beroep, 23-09-2009 / 08/4886 WW + 08/4887 WW + 08/4888 WW


ECLI:NL:CRVB:2009:BK0080

Inhoudsindicatie
Herziening WW-uitkering. Terugvordering. Boete van € 484,-- opgelegd. Werkzaamheden als zelfstandige niet gemeld. Redelijkerwijs duidelijk dat die van invloed konden zijn op recht op WW-uitkering. Geen dringende reden om af te zien van terugvordering. De Raad acht de uit het Boetebesluit socialezekerheidswetten en de Beleidsregel boete werknemer voortvloeiende boete van € 480,-- evenredig aan de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden. Vernietiging besluit en aangevallen uitspraak ten aanzien van boete. Raad voorziet zelf en stelt de boete vast op € 480,--.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-09-23
Publicatiedatum
2009-10-15
Zaaknummer
08/4886 WW + 08/4887 WW + 08/4888 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/4886 WW

08/4887 WW

08/4888 WW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2008, 07/2455, 07/2454 en 07/2452 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 23 september 2009.


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant is door mr. S. Bakker, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Mr. Bakker heeft bij brief van 27 oktober 2008 de Raad laten weten niet langer als gemachtigde van appellant op te treden.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. E.C. Spiering, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.


2.1. Met ingang van 1 maart 2001 is een eerder aan appellant toegekend WW-recht naar een gemiddeld aantal arbeidsuren per week van 38,40 herleefd. In verband met werk-zaamheden van appellant als zelfstandige in de eenmanszaak [naam eenmanszaak] is dit recht vervolgens met ingang van 3 juni 2002 gekort met acht uur en met ingang van 15 juli 2002 met 16 uur. Naar aanleiding van een brief van appellant dat hij in verband met een beëindigd project en het ontbreken van opdrachten in de nabije toekomst met ingang van 29 juli 2002 niet meer werkzaam is als zelfstandige, is de WW-uitkering met ingang van die dag weer volledig uitbetaald tot 22 augustus 2003, de dag waarop de maximale uitkeringsduur is bereikt.


2.2. Naar aanleiding van een melding van de belastingdienst, gedaan na een bestands-vergelijking, dat appellant over het jaar 2003 zelfstandigenaftrek had geclaimd en gekregen, heeft het Uwv onderzoek laten doen door een fraude-inspecteur. Hierbij is naar voren gekomen dat appellant in 2003 op de werkbriefjes geen uren heeft opgegeven waarin hij werkzaam was als zelfstandige. Appellant heeft aan de fraude-inspecteur geen verklaring gegeven voor het verschil tussen zijn opgave aan het Uwv en zijn informatie aan de belastingdienst. Hij heeft de fraude-inspecteur daarvoor verwezen naar zijn boekhouder en te kennen gegeven alles met de belastingdienst te willen afhandelen. De fraude-inspecteur heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport werknemersfraude van 30 januari 2007 en een aanvullende rapportage van 6 februari 2007.


2.3. Op basis hiervan heeft het Uwv bij besluit van 6 februari 2007 de WW-uitkering van appellant herzien over de periode van 30 december 2002 tot en met 24 augustus 2003. Bij besluit van 7 februari 2007 heeft het Uwv de over genoemde periode onverschuldigd betaalde WW-uitkering ten bedrage van € 4.756,57 bruto van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 21 februari 2007 heeft het Uwv appellant wegens het overtreden van de inlichtingenplicht een boete opgelegd van € 484,--. Bij drie afzonderlijke besluiten van 30 juli 2007 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 6, 7 en

21 februari 2007 ongegrond verklaard. Het Uwv is er daarbij vanuit gegaan dat appellant wekelijks minimaal 23,56 uur heeft gewerkt, overeenkomend met de zelfstandigenaftrek, waarvoor geldt dat tenminste 1225 uur per jaar werkzaamheden zijn verricht.


3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


4.1. Appellant heeft in hoger beroep zijn eerdere standpunt herhaald, inhoudende dat hij met medeweten van het Uwv vanaf medio 2002 een re-integratietraject volgde en in 2003 geen werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht. Hij acht daarom zowel de herziening als de terugvordering en de boete onjuist. De gemachtigde van appellant, mr. drs. Spiering, heeft de Raad verzocht om uitstel van de behandeling van de zaak omdat hij pas op een zeer laat moment door appellant is benaderd met het verzoek om rechtsbijstand te verlenen, maar nog niet de beschikking heeft over de stukken, waardoor hij de zaak niet heeft kunnen bestuderen en het standpunt van appellant niet kan onderbouwen.


4.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


5. De Raad overweegt als volgt.


5.1. De Raad ziet uit het oogpunt van de goede procesorde geen aanleiding om het verzoek om uitstel in te willigen. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellant, zoals uit 2.2 blijkt, tijdens het onderzoek door de fraude-inspecteur geen gevolg heeft gegeven aan diens herhaalde verzoeken om contact op te nemen om informatie te verstrekken. Verder heeft appellant zowel in de bezwaarprocedure als in de beroepsprocedure, waarin hij werd bijgestaan door een rechtshulpverlener, nagelaten zijn standpunt dat hij in 2003 geen werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht op enigerlei wijze aannemelijk te maken of te onderbouwen. Daarnaast heeft hij tot enkele dagen voor de zitting bij de Raad gewacht met het opnieuw inroepen van rechtshulp. Om welke reden appellant zo lang heeft gewacht met het inroepen van rechtshulp, heeft hij niet kunnen verduidelijken.


5.2. Op basis van de stukken is het Uwv er naar het oordeel van de Raad op goede gronden van uitgegaan dat appellant in 2003 als zelfstandige actief is geweest in zijn op 28 februari 2002 bij de Kamer van Koophandel ingeschreven onderneming [naam eenmanszaak]. Appellant heeft dit in zijn bezwaarschrift van 19 maart 2007 ook niet ontkend, waar hij heeft gesteld dat hij vanaf 30 december 2002 tot 24 augustus 2003 permanent heeft gewerkt aan het starten van een eigen onderneming, onder meer door het schrijven van een businessplan en het volgen van allerlei cursussen. Omdat appellant van zijn werk-zaamheden als zelfstandige geen opgave heeft gedaan op de werkbriefjes, heeft het Uwv de omvang ervan geschat. De Raad acht deze handelwijze van het Uwv aanvaardbaar, omdat de omvang achteraf niet meer kon worden vastgesteld aan de hand van eenduidige en overtuigende gegevens. Het risico dat die schatting in het nadeel van appellant uitvalt komt in de gegeven situatie voor diens rekening. De Raad wijst er voorts nog op dat uit het door appellant overgelegde ondernemingsplan en het Adviesrapport van IMK Intermediair d.d. 11 april 2003 kan worden afgeleid dat appellant toen reeds bezig was met het organiseren van evenementen. Voorts heeft appellant bij een hoorzitting op 16 juli 2007 verklaard op 12 augustus 2003 zijn eerste factuur te hebben geschreven. Gelet op de aard van de onderneming moeten daar werkzaamheden in beduidende omvang aan vooraf zijn gegaan. Dat uit die werkzaamheden mogelijk niet direct inkomsten voortvloeiden, doet er niet aan af dat het gaat om werkzaamheden als zelfstandige.


5.3. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv de omvang van de in 2003 door appellant verrichte werkzaamheden als zelfstandige niet ten onrechte op minimaal 23,56 uur per week geschat. De Raad is verder van oordeel dat appellant van die werkzaam-heden melding had moeten maken op de werkbriefjes, omdat het hem redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat die van invloed konden zijn op zijn recht op WW-uitkering. Gelet hierop heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant terecht met ingang van 30 december 2002 herzien.


5.4. Aangezien terugvordering van onverschuldigd betaalde WW-uitkering dwingend is voorgeschreven en de Raad niet is gebleken van dringende redenen om van terug-vordering af te zien kan ook het besluit tot terugvordering in stand blijven.


5.5. Artikel 27a van de WW verplicht het Uwv een boete op te leggen aan de werknemer die de inlichtingenplicht niet nakomt. Hiervan wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Nu uit 5.3 volgt dat appellant niet heeft voldaan aan de in artikel 25 van de WW neergelegde verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering en appellant daarvan naar het oordeel van de Raad een verwijt kan worden gemaakt, is het Uwv terecht overgegaan tot het opleggen van een boete aan appellant.


5.6. De Raad acht de uit het Boetebesluit socialezekerheidswetten en de Beleidsregel boete werknemer, zoals die thans luiden, voortvloeiende boete van € 480,-- evenredig aan de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin appellant verkeert en zal de boete op dat bedrag vaststellen.


5.7. Uit 5.6 volgt dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak niet in stand kunnen blijven voor zover hierbij de boete van € 484,-- is gehandhaafd. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien en de boete vaststellen op € 480,--.


6. Nu de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit gedeeltelijk worden vernietigd bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep aan kosten van rechts-bijstand, in totaal derhalve op € 1.288,--.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak ten aanzien van de boete;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 juli 2007 gegrond voor zover hierbij de boete van € 484,-- is gehandhaafd en vernietigt dat besluit in zoverre;

Legt appellant een boete op van € 480,--, te voldoen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--;

Bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht van € 146,--

(€ 39,-- + € 107,--) vergoedt;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.


Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van M. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009.


(get.) M.A. Hoogeveen.


(get.) M. Koopman.


HD