Centrale Raad van Beroep, 29-09-2009 / 07-7078 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BK0407

Inhoudsindicatie
Afwijzing bijzondere bijstand. Vast staat dat appellante ten tijde van het ontstaan van de schulden, mogelijk behoudens de periode van 16 september 2004 tot 1 oktober 2004, beschikte over de middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Voorts staat vast dat zij nadien daarover beschikte. Dit betekent dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB in beginsel aan bijstandsverlening voor deze schulden in de weg staat. De Raad is voorts van oordeel dat het College niet bevoegd was om appellante met toepassing van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB niettemin bijstand te verlenen voor deze schulden. Van een afgewezen aanvraag om een schuldsaneringskrediet is immers niet gebleken en van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB - en nader uitgewerkt in de gemeentelijke werkvoorschriften - is naar het oordeel van de Raad evenmin sprake. Daarbij tekent de Raad aan dat appellante niet heeft aangetoond dat zij ten tijde hier van belang zogeheten dreigende schulden had.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-09-29
Publicatiedatum
2009-10-20
Zaaknummer
07-7078 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/7078 WWB


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 november 2007, 07/1232 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)


Datum uitspraak: 29 september 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. N.D.Z.R. Mohamed Hoesein, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2009. Appellante is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante ontving van 1 januari 1997 tot 16 september 2004 en vanaf 1 oktober 2004 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij vonnis van 20 december 2004 heeft de rechtbank Amsterdam ten aanzien van appellante de definitieve toepassing van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) uitgesproken. Appellante heeft in september 2006 bij het College een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand om diverse schulden af te lossen, teneinde te kunnen voldoen aan haar verplichtingen uit schuldsanering en te voorkomen dat zij failliet wordt verklaard. Blijkens een door appellante overgelegd overzicht van schulden dat in het kader van de schuldsanering is opgesteld, is er sprake van schulden die zijn ontstaan in de periode van 1 maart 2002 tot 18 oktober 2004 en betrekking hebben op telefoonnota’s, saldotekort op een girorekening, een ouderbijdrage voor een schoolgaand kind, leenbijstand en ééntermijnnota voor energielevering. Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 september 2006 is de WSNP-regeling tussentijds beëindigd en is het faillissement van appellante uitgesproken. Het faillissement is op 6 maart 2007 opgeheven wegens gebrek aan baten.


1.2. De aanvraag van appellante om bijzondere bijstand is bij besluit van 31 oktober 2006, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 30 januari 2007, afgewezen. Daarbij is, uitgaande van een aanvraag om bijzondere bijstand voor schulden, toepassing gegeven aan artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB en het beleid van het College inzake bijstandsverlening voor schulden. Voorts is overwogen dat in het geval van appellante niet is voldaan aan de in dat beleid gestelde omstandigheid dat er sprake is van dreigende schulden. Hieronder worden door het College verstaan schulden als gevolg waarvan uitzetting uit de woning, afsluiting van de energie- of watervoorziening of beslaglegging op de boedel dreigt.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

30 januari 2007 ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij is

- samengevat - aangevoerd dat er voor appellante een dreigende situatie was ontstaan, zodanig dat van dreigende schulden kan worden gesproken en bijzondere bijstand had kunnen worden verleend. Het College heeft zijn standpunt gehandhaafd dat niet is gebleken noch aannemelijk gemaakt dat appellante te maken had met dreigende schulden op grond waarvan tot verlening van bijzondere bijstand had moeten worden overgegaan.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand. In artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB is de mogelijkheid opgenomen om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bijzondere bijstand te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a van dat artikel genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt.


4.2. Vast staat dat appellante ten tijde van het ontstaan van de hiervoor onder 1.1 vermelde schulden, mogelijk behoudens de periode van 16 september 2004 tot 1 oktober 2004, beschikte over de middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Voorts staat vast dat zij nadien daarover beschikte. Dit betekent dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB in beginsel aan bijstandsverlening voor deze schulden in de weg staat. De Raad is voorts van oordeel dat het College niet bevoegd was om appellante met toepassing van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB niettemin bijstand te verlenen voor deze schulden. Van een afgewezen aanvraag om een schuldsaneringskrediet is immers niet gebleken en van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB - en nader uitgewerkt in de gemeentelijke werkvoorschriften - is naar het oordeel van de Raad evenmin sprake. Daarbij tekent de Raad aan dat appellante niet heeft aangetoond dat zij ten tijde hier van belang zogeheten dreigende schulden had als bedoeld in 1.2.


4.3. Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2009.



(get.) J.F. Bandringa.



(get.) B.E. Giesen.



IJ