Centrale Raad van Beroep, 11-11-2009 / 08-3966 ZW


ECLI:NL:CRVB:2009:BK3077

Inhoudsindicatie
Geen recht (meer) op ziekengeld. Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig. Ten aanzien van de vaststelling door de rechtbank, dat appellant niet meer onder behandeling was van een medisch specialist, geen therapie meer onderging en geen medicatie meer gebruikte, heeft appellant over de datum in geding geen andersluidende informatie in geding gebracht. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-11-11
Publicatiedatum
2009-11-12
Zaaknummer
08-3966 ZW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/3966 ZW


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 juni 2008, 07/1250 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 11 november 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. S. Salhi, advocaat in ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Salhi. Het Uwv heeft zich, met bericht van verhindering, niet ter zitting laten vertegenwoordigen.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant, voorheen werkzaam als medewerker kippenslachterij via een uitzendbureau, heeft zich vanuit een situatie dat hij uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving op 12 december 2005 ziek gemeld vanwege psychische klachten en klachten van duizeligheid. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant meerdere malen het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht. Na het laatste spreekuur van 19 september 2006 is appellant per 20 september 2006 hersteld verklaard.


1.2. Bij besluit van 22 september 2006 heeft het Uwv appellant meegedeeld, dat hij vanaf 20 september 2006 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid en daarom met ingang van 20 september 2006 geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW).


1.3. Het tegen het besluit van 22 september 2006 gerichte bezwaar van appellant is na een heroverweging door bezwaarverzekeringsarts A. Mirza, die appellant tevens lichamelijk heeft onderzocht, bij besluit van 7 februari 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daarbij is met name betekenis gehecht aan het rapport van bezwaarverzekeringsarts Mirza van 6 februari 2007, waarin naar het oordeel van de rechtbank blijk is gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek.


3. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan, dat appellant niet meer onder behandeling van een specialist was, geen therapie meer zou hebben en geen medicatie zou gebruiken. Ook zou onvoldoende rekening zijn gehouden met incontinentieproblematiek. In dit verband is een brief van neuroloog R.M. Rijsman van 26 mei 2008 overgelegd. Tevens is gevraagd het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade. Op 24 september 2009 heeft gemachtigde van appellant nog nadere stukken ingezonden.


4.1. De Raad overweegt als volgt.


4.2. Op grond van het bepaalde in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Gemachtigde van appellant heeft op 24 september 2009 nadere stukken ingestuurd. Hiermee is de termijn van tien dagen overschreden. De Raad heeft besloten de stukken niet bij de beoordeling van de zaak te betrekken, mede omdat het Uwv niet in staat is geweest een reactie op de te late inzending naar voren te brengen.


4.3. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.


4.4. De Raad beantwoordt de vraag of appellant per 20 september 2006 in staat is geweest zijn arbeid van medewerker kippenslachterij te verrichten, bevestigend. Dit op grond van het volgende.


4.5. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en heeft in de beschikbare gegevens geen aanwijzingen gevonden op grond waarvan geoordeeld moet worden, dat de beperkingen van appellant door het Uwv zijn onderschat. De rechtbank heeft de vaststelling, dat appellant niet meer onder behandeling was van een medisch specialist, geen therapie meer onderging en geen medicatie meer gebruikte afgeleid uit een passage in het rapport van bezwaarverzekeringsarts Mirza van 6 februari 2007, waarin dit expliciet is vermeld. Nu appellant over de datum in geding geen andersluidende informatie in geding heeft gebracht, heeft de rechtbank hiervan naar het oordeel van de Raad kunnen uitgaan. Ten aanzien van de psychische problematiek overweegt de Raad dat de door appellant met het aanvullend bezwaarschrift meegezonden informatie van PsyQ betrekking heeft op een periode na de datum in geding. Wat betreft de incontinentieproblematiek overweegt de Raad, dat verzekeringsarts J.B. Tuinhof de Moed en bezwaarverzekeringsarts A. Mirza hiermee rekening hebben gehouden. De in hoger beroep overgelegde brief van neuroloog R.M. Rijsman van 26 mei 2008 is voor het Uwv aanleiding geweest bezwaararbeidsdeskundige J.G.W. de Wit om een toelichting te vragen op de geschiktheid voor de maatstaf arbeid. De bezwaararbeidsdeskundige heeft op 16 juni 2009 gemotiveerd waarom de incontinentieproblematiek geen reden is de hersteld verklaring voor onjuist te achten. De ter zitting door appellant geuite belemmeringen om het eigen werk te verrichten acht de Raad onvoldoende onderbouwd om op grond daarvan de conclusie van bezwaararbeidsdeskundige De Wit niet te volgen. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat appellant per 20 september 2006 ongeschikt zou zijn voor het werk van medewerker kippenslachterij.


4.6. Hetgeen is overwogen onder 4.2 tot en met 4.5 leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Tenslotte heeft appellant verzocht om schadevergoeding, waarbij gezien de toelichting ter zitting kennelijk is beoogd een beroep te doen op artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). De Raad overweegt dat nu het hoger beroep niet slaagt, er voor een veroordeling tot schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb geen ruimte is. Het verzoek daartoe dient dan ook te worden afgewezen.


6. De Raad acht evenmin termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009.


(get.) C.P.J. Goorden.


(get.) J.M. Tason Avila.


EK