Centrale Raad van Beroep, 17-11-2009 / 08/1375 WWB + 08/1492 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BK4240

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag. Hierbij heeft het College zich gebaseerd op de door appellanten overgelegde jaaropgaven van het UWV, waaruit is afgeleid dat de gezamenlijke WAO-uitkeringen van appellanten in de jaren 2004 en 2005 hoger zijn dan het belastbaar jaarinkomen op bijstandsniveau voor een gezin. Geen aanleiding om de aan de afwijzing van de langdurigheidstoeslag ten grondslag gelegde berekening van het College onjuist te achten. Geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat het negatieve fiscale inkomen van appellante in aanmerking had moeten worden genomen bij de vaststelling van de hoogte van het inkomen. Weigering langdurigheidstoeslag. Bij vaststellen hoogte van het inkomen in de referteperiode uitgaan van bruto of netto inkomen. Negatief fiscaal inkomen heeft geen invloed op de hoogte van het inkomen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-11-17
Publicatiedatum
2009-11-24
Zaaknummer
08/1375 WWB + 08/1492 WWB
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/1375 WWB

08/1492 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),


tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 januari 2008, 07/1248 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellanten


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)


Datum uitspraak: 17 november 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Jong. Het College heeft zich met voorafgaande kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Op 11 september 2006 hebben appellanten een aanvraag ingediend om een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2. Bij besluit van 27 september 2006 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat niet is voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef, en onder a, van de WWB neergelegde voorwaarde dat gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen is ontvangen dat niet hoger is dan de bijstandsnorm. Hierbij heeft het College zich gebaseerd op de door appellanten overgelegde jaaropgaven van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), waaruit is afgeleid dat de gezamenlijke WAO-uitkeringen van appellanten in de jaren 2004 en 2005 hoger zijn dan het belastbaar jaarinkomen op bijstandsniveau voor een gezin.


1.3. Bij besluit van 30 maart 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 27 september 2006 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij is, samengevat, aangevoerd dat hun inkomen over de jaren 2004 en 2005 niet hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm voor gehuwden. Tevens hebben zij hun standpunt herhaald dat bij de vaststelling van de hoogte van het inkomen uitgegaan dient te worden van netto bedragen. Ter onderbouwing hebben appellanten de afschriften van hun bankrekening over de jaren 2004 en 2005 overgelegd waarop de maandelijks overgemaakte WAO-uitkeringen van hen beiden zijn overgemaakt.


3.1. Het College heeft betoogd dat bij de vaststelling van de hoogte van het inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB niet noodzakelijkerwijs uitgegaan dient te worden van netto bedragen. Voorts geven de door appellanten overgelegde bankafschriften naar de mening van het College geen volledig inzicht in de totale hoogte van de netto door het UWV aan appellanten uitgekeerde bedragen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WWB (tekst tot 1 januari 2009), voor zover hier van belang, verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft;

b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen of ten aanzien van wie het college van oordeel is dat, gelet op de zeer geringe hoogte van de inkomsten uit of in verband met arbeid in die periode en de zeer geringe duur van deze arbeid, in redelijkheid niet gesproken kan worden van een feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief.


4.2. In geval de aanvraag een toeslag voor gehuwden betreft, volgt uit de vaste rechtspraak van de Raad dat beide personen moeten voldoen aan de in artikel 36 van de WWB gestelde voorwaarden.


4.3. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 36 van de WWB blijkt dat de langdurigheidstoeslag is bedoeld als een inkomensondersteuning voor personen die langdurig zijn aangewezen op een inkomen op minimumniveau en die een grote afstand hebben tot de arbeidsmarkt.


4.4. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellanten in de jaren 2004 en 2005 een inkomen hebben gehad dat hoger is dan de voor hen toepasselijke bijstandsnorm voor gehuwden. Ten aanzien van deze periode staat vast dat appellant onafgebroken een (volledige) WAO-uitkering heeft ontvangen, dat appellante over de periode van 1 januari 2004 tot en met 14 november 2005 eveneens een WAO-uitkering heeft ontvangen en dat zij tevens in deze gehele periode werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht. In reactie op het verzoek van de Raad om nadere informatie hebben appellanten bij brief van 29 september 2009 nog meegedeeld dat hen ingaande 15 november 2005 (tot en met 29 november 2008) een uitkering op grond van de Toeslagenwet (TW) is toegekend.


4.5. De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 juli 2006, LJN AY0262, geoordeeld dat voor de vraag hoe hoog het inkomen van een betrokkene als bedoeld in artikel 36, eerste lid en onder a, van de WWB in een referteperiode is geweest, als regel dient te worden uitgegaan van het netto inkomen zoals dat feitelijk in die periode is ontvangen.


4.6. De Raad ziet in dit geval aanleiding om, in afwijking van de onder 4.5 vermelde hoofdregel, voor het inkomen van appellanten in de jaren 2004 en 2005 uit te gaan van de jaaropgaven van het UWV. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat, in tegenstelling tot de door appellanten overgelegde bankafschriften, deze opgaven de totale door het UWV aan appellanten toegekende uitkeringen omvatten. Tevens heeft de Raad hierbij van belang geacht dat de door het College desgevraagd bij brief van 28 september 2009 verstrekte, van het UWV ontvangen, netto uitkeringsgegevens niet compleet zijn en evenmin in overeenstemming zijn met het op de jaaropgaven vermelde inkomen.


4.7. De Raad ziet, uitgaande van de onder 4.6 bedoelde jaaropgaven, geen aanleiding om de aan de afwijzing van de langdurigheidstoeslag ten grondslag gelegde berekening van het College onjuist te achten.


4.8. Voor wat betreft de als subsidiair aangevoerde grond dat de negatieve inkomsten van appellante uit haar zelfstandige werkzaamheden op het inkomen van appellanten in mindering moeten worden gebracht, overweegt de Raad als volgt.

.

4.8.1. Ter zitting van de Raad is naar voren gebracht dat appellante in de jaren hier aan de orde weliswaar als zelfstandige werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van haar escortbureau maar dat deze slechts 15 minuten per dag innamen, louter werden verricht om een zin aan het bestaan te geven en in fiscale zin tot verlies hebben geleid. De Raad stelt vast dat de omvang van de werkzaamheden van appellante niet is aangetoond. De Raad leidt uit de overgelegde winst- en verliesrekeningen over de jaren 2004 en 2005 af dat er op zich wel een positief omzetresultaat is behaald maar dat appellante fiscaal gezien deze boekjaren met een negatief resultaat heeft afgesloten vanwege onder meer de hoge bedrijfskosten, waaronder met name de advertentiekosten.


4.8.2. Nog daargelaten dat de Raad appellante niet kan volgen in haar standpunt dat zij in de gegeven omstandigheden niet geacht kan worden over arbeidsmarktperspectief te beschikken, ziet de Raad in dit geval geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat het negatieve fiscale inkomen van appellante in aanmerking had moeten worden genomen bij de vaststelling van de hoogte van het inkomen in de zin van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB.


4.8. Uit hetgeen de Raad onder 4.1 tot en met 4.8.2 heeft overwogen, volgt dat het College de aanvraag van appellanten om een langdurigheidstoeslag terecht heeft afgewezen.


4.9. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M A. van der Kolk-Severijns en R.H.M Roelofs als leden in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2009.


(get.) A.B.J. van der Ham.


(get.) C. de Blaeij.


mm