Centrale Raad van Beroep, 17-11-2009 / 07-5373 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BK4266

Inhoudsindicatie
Afwijzing herhaalde aanvraag om bijstand. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de stortingen kunnen worden aangemerkt als middelen. De betreffende bedragen worden vervolgens toegerekend aan de maanden waarin de stortingen hebben plaatsgevonden. Omdat naast de stortingen op eigen rekening niet van een andere concrete inkomensbron is gebleken, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College de afwijzing van de aanvraag van betrokkene om bijstand van 27 maart 2006 ten onrechte op artikel 11 van de WWB heeft gebaseerd. Dat de herkomst van de kasstortingen onduidelijk is en betrokkene daarvan slechts zijn vaste lasten heeft betaald, impliceert niet zonder meer dat betrokkene louter op basis van die kasstortingen geacht kan worden over voldoende middelen te beschikken en niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-11-17
Publicatiedatum
2009-11-25
Zaaknummer
07-5373 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/5373 WWB



Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Borne (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 1 augustus 2007, 07/64 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


[betrokkene] (hierna: betrokkene),


en


appellant



Datum uitspraak: 17 november 2009



I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Als gemachtigde van betrokkene heeft mr. P. Gerritsen, advocaat te Enschede, een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L.C. Visser, werkzaam bij de gemeente Borne. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Gerritsen.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. Betrokkene heeft op 14 september 2005 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij besluit van 9 december 2005 is die aanvraag met toepassing van artikel 11 van de WWB afgewezen op de grond dat betrokkene over voldoende vermogen beschikt om in de kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien. Het tegen het besluit van 9 december 2005 gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 maart 2006 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 april 2007 is het tegen het besluit van 16 maart 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak is geen rechtsmiddel aangewend.


1.2. Op 27 maart 2006 heeft betrokkene wederom een aanvraag om bijstand ingediend. Uit het in verband daarmee ingestelde onderzoek is naar voren gekomen dat betrokkene diverse malen geld op eigen bankrekening heeft gestort. In de periode van 16 november 2005 tot 18 maart 2006 heeft hij in totaal € 4.900,-- gestort en in de periode van 10 april 2006 tot 19 juni 2006 € 2100,--.


1.3. Bij besluit van 27 juni 2006 is de aanvraag van 27 maart 2006 onder verwijzing naar het besluit van 9 december 2005 met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht afgewezen op de grond dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.


1.4. Het tegen het besluit van 27 juni 2006 gemaakte bezwaar heeft appellant in het spoor van het advies van de commissie advisering bezwaarschriften bij besluit van 4 december 2006 ongegrond verklaard op de grond dat betrokkene niet verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11 van de WWB. Daartoe is overwogen dat de herkomst van de kasstortingen onduidelijk is, dat de kasstortingen niet als leningen kunnen worden beschouwd en dat betrokkene geacht wordt over voldoende middelen te beschikken.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 december 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft daartoe in de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder en betrokkene als eiser is aangeduid, onder meer het volgende overwogen:


“Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat door de onduidelijkheid van de herkomst van de kasstortingen eiser niet in bijstandbehoeftige omstandigheden verkeerde op de datum van de aanvraag. Indien verweerder van mening is dat de herkomst van de kasstortingen onduidelijk is dan had de grondslag voor het afwijzen van de aanvraag voor bijstand gelegen moeten zijn in het feit dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Verweerder heeft dit niet aan het bestreden besluit van 20 december 2006 ten grondslag gelegd zodat het bestreden besluit op een onjuiste grondslag berust en voor vernietiging in aanmerking komt.

(...)

Nu eiser op de datum van de aanvraag over een saldotekort op zijn bankrekening beschikte en hij geen inkomen had dat de op eiser van toepassing zijnde bijstandsnorm te boven ging, is de rechtbank van oordeel dat eiser op de datum van de aanvraag in zodanige omstandigheden verkeerde dat hij niet over de middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank staan de kasstortingen die zijn verricht na de datum van de aanvraag, te weten € 400,00 op 10 april 2006, € 500,00 op 5 mei 2006, € 600,00 op 22 mei 2006 en € 600,00 op 19 juni 2006, niet aan de toekenning van een bijstandsuitkering in de weg. Het is aan verweerder om te beoordelen of die kasstortingen als inkomsten op de bijstandsuitkering in mindering dienen te worden gebracht.”.


De rechtbank heeft voorts nog geoordeeld dat de bedragen die betrokkene op zijn rekening heeft gestort niet als leningen zijn te beschouwen maar als giften die in de maanden waarin die bedragen zijn gestort kunnen worden aangemerkt als middelen om in de kosten van levensonderhoud te voorzien.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij blijft van mening dat de aanvraag van betrokkene terecht is afgewezen op de grond dat betrokkene ten tijde van zijn aanvraag niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde in de zin van artikel 11 van de WWB. In dat verband heeft appellant er op gewezen dat uit het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag om bijstand van betrokkene van 27 maart 2006 is gebleken dat betrokkene van de stortingen slechts zijn vaste lasten heeft betaald. Volgens appellant betekent het feit dat betrokkene bedragen op zijn bankrekening stort waarvoor geen aannemelijke verklaring is, maar waarmee hij wel zijn vaste lasten betaalt, dat hij niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Een verklaring hoe betrokkene de overige kosten van levensonderhoud betaalt, ontbreekt immers.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dat betekent dat in dit geval de periode van 27 maart 2006 tot en met 27 juni 2006 dient te worden beoordeeld.


4.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien recht op bijstand van overheidswege.


4.3. Vaststaat dat in de periode van 27 maart 2006 tot en met 27 juni 2006 op 10 april € 400,--, op 5 mei € 500,--, op 22 mei € 600,-- en op 19 juni ook € 600,-- op de rekening van betrokkene is gestort. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze stortingen kunnen worden aangemerkt als middelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de WWB. Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de WWB moeten de betreffende bedragen vervolgens worden toegerekend aan de maanden waarin de stortingen hebben plaatsgevonden.


4.4. De voor betrokkene geldende bijstandsnorm (inclusief de toeslag als bedoeld in artikel 25 van de WWB) bedroeg in de maanden in dit geding van belang € 840,84 per maand.


4.5. Omdat naast de stortingen op eigen rekening niet van een andere concrete inkomensbron is gebleken, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant de afwijzing van de aanvraag van betrokkene om bijstand van 27 maart 2006 ten onrechte op artikel 11 van de WWB heeft gebaseerd. Dat de herkomst van de kasstortingen onduidelijk is en betrokkene daarvan slechts zijn vaste lasten heeft betaald, impliceert niet zonder meer dat betrokkene louter op basis van die kasstortingen geacht kan worden over voldoende middelen te beschikken en niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.


4.6. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand en op € 33,10 voor reiskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 677,10, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 447,-- wordt geheven.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2009.




(get.) A.B.J. van der Ham.



(get.) C. de Blaeij.




mm