Centrale Raad van Beroep, 27-11-2009 / 08-5301 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BK4971

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering. De Raad merkt op dat de eigen opvatting van appellant dat sprake is van een ongewijzigd gebleven gezondheidssituatie, zodat hij ook ongewijzigd recht kan doen gelden op een volledige WAO-uitkering, aldus geen bevestiging vindt in de voorhanden verzekeringsgeneeskundige gegevens. De gegevens wijzen juist uit dat sprake is van een beduidende verbetering van appellants psychische gezondheidstoestand ten opzichte van het beeld zoals dat door de bva in diens rapport van 14 november 2006 nog is beschreven met betrekking tot de beoordelingsdatum (vier weken na) 19 december 2005.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-11-27
Publicatiedatum
2009-12-02
Zaaknummer
08-5301 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/5301 WAO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2008, 08/362 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 27 november 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. D.A. Harff, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant is in januari 2005 wegens klachten van psychische aard uitgevallen voor zijn werkzaamheden als chauffeur in de haven. De hem met ingang van 16 januari 2006 toegekende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, is bij besluit van 27 juli 2007 met ingang van 28 september 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.


1.2. Het tegen het besluit van 27 juli 2007 door appellant gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 12 december 2007, hierna: het bestreden besluit.


2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar aanleiding van de door appellant naar voren gebrachte grieven heeft de rechtbank geoordeeld dat het medische onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat er geen gronden zijn om het medische oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd voor onjuist te houden.


3. In hoger beroep heeft appellant zijn beroepsgronden herhaald. Hij acht het onbegrijpelijk dat hij, terwijl zijn klachtenpatroon ongewijzigd is gebleven, eerst volledig arbeidsongeschikt is bevonden en thans (nog slechts) als gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt aangemerkt. Het door het Uwv ingestelde verzekeringsgeneeskundig onderzoek is in de optiek van appellant niet voldoende zorgvuldig geweest.


4.1. De Raad komt niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. De Raad overweegt in de eerste plaats dat de grief dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet voldoende uitvoerig of anderszins onvoldoende zorgvuldig is geweest, niet nader is onderbouwd en geen bevestiging vindt in de omtrent dat onderzoek beschikbare gegevens. In verband hiermee kan appellant in die grief niet worden gevolgd.


4.2. Voorts overweegt de Raad dat de verzekeringsarts bij onderzoek van de psyche van appellant op 15 mei 2007, op basis van de presentatie van appellant en de daarbij door die arts verkregen indruk, heeft vastgesteld dat de angstgerelateerde klachten van appellant nu (ten tijde van het onderzoek) als mild kunnen worden beschouwd. De verzekeringsarts heeft daaraan de conclusie verbonden dat appellant weer duurzaam belastbaar is te achten met arbeid, mits rekening wordt gehouden met de door hem aangegeven beperkingen. De bezwaarverzekeringsarts, die het dossier heeft bestudeerd en aanwezig was ter hoorzitting, heeft geen argumenten gezien om af te wijken van het primaire medische oordeel. Terecht heeft zijns inziens de verzekeringsarts, gezien de bevindingen bij onderzoek, aangenomen dat van een ernstig invaliderende psychopathologie bij appellant niet langer kan worden gesproken. De inschatting dat de angstklachten thans als mild vallen te bestempelen, wordt naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts nog ondersteund door het gegeven dat de behandeling die appellant heeft ondergaan bij de Riagg in januari 2007 is beëindigd.


4.3. De Raad merkt op dat de eigen opvatting van appellant dat sprake is van een ongewijzigd gebleven gezondheidssituatie, zodat hij ook ongewijzigd recht kan doen gelden op een volledige WAO-uitkering, aldus geen bevestiging vindt in de voorhanden verzekeringsgeneeskundige gegevens. De gegevens wijzen juist uit dat sprake is van een beduidende verbetering van appellants psychische gezondheidstoestand ten opzichte van het beeld zoals dat door de bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker in diens rapport van 14 november 2006 nog is beschreven met betrekking tot de beoordelingsdatum (vier weken na) 19 december 2005.


4.4. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die kunnen dienen ter ondersteuning van zijn eigen opvatting, in verband waarmee de Raad uitgaat van de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv, als hiervoor weergegeven.


4.5. Uit het overwogene onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de namens appellant in hoger beroep naar voren gebrachte beroepsgronden niet slagen. Aldus in navolging van de rechtbank ervan uitgaande dat de beperkingen van appellant door de verzekeringsartsen van het Uwv niet zijn onderschat, merkt de Raad ten slotte nog op dat hij geen aanknopingspunten heeft voor het oordeel dat de bij de schatting betrokken functies buiten het bereik van appellant zouden liggen.


4.6. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2009.


(get.) J.W. Schuttel.


(get.) D.W.M. Kaldenhoven.


JL