Centrale Raad van Beroep, 14-12-2009 / 09/34 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BK6640

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering. Het besluit van 31 oktober 2007 berust op een deugdelijke medische grondslag en dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellante niet te boven gaat. Omdat het Uwv eerst in beroep afdoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies voor appellante vanuit medisch oogpunt passend zijn, is de rechtbank overgegaan tot vernietiging van het besluit van 31 oktober 2007 met het in stand laten van de rechtsgevolgen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-12-14
Publicatiedatum
2009-12-16
Zaaknummer
09/34 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/34 WAO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 25 november 2008, 07/1429 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 14 december 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. S.J.W.C. Lipman, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Lipman. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. D.H. Harbers.


II. OVERWEGINGEN


1. Bij besluit van 31 oktober 2007 heeft het Uwv - beslissend op bezwaar - de WAO-uitkering van appellante, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 27 oktober 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het besluit van 31 oktober 2007 op een deugdelijke medische grondslag berust. Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellante niet te boven gaat. Omdat het Uwv eerst in beroep afdoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies voor appellante vanuit medisch oogpunt passend zijn, is de rechtbank overgegaan tot vernietiging van het besluit van 31 oktober 2007 met het in stand laten van de rechtsgevolgen.


3. Appellante is in hoger beroep gekomen van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 31 oktober 2007 in stand zijn gelaten. Appellante herhaalt haar eerdere grieven dat het medisch onderzoek onzorgvuldig en onvolledig is geweest en haar beperkingen tot het verrichten van arbeid zijn onderschat.


4.1. De Raad overweegt als volgt.


4.2. Hetgeen appellante in hoger beroep ter zake van de medische grondslag van het besluit van 31 oktober 2007 naar voren heeft gebracht vormt in essentie een herhaling van hetgeen appellante reeds in beroep naar voren heeft gebracht. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank deze gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank ter zake, waaraan hij het volgende toevoegt.


4.3. Gezien de inhoud van de rapportage van de verzekeringsarts J.P. Voogd van 6 juni 2007 is de Raad niet gebleken dat de klachten van de kaakgewrichten niet in de beoordeling zijn betrokken. De ter zitting geuite stelling van appellante ter zake faalt derhalve.


4.4. In de door appellante in hoger beroep nieuw ingebrachte medische gegevens heeft de Raad geen objectief medische aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellante per 27 oktober 2007 meer beperkt was dan door het Uwv is aangenomen. De Raad kan zich verenigen met de reactie van de bezwaarverzekeringsarts M. Achterberg van 9 november 2009 aangaande deze medische gegevens.


4.5. In aanvulling op hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de waarde van het in 2002 verrichte neuropsychologische onderzoek verwijst de Raad naar zijn vaste rechtspraak ter zake - onder meer LJN BD1914 en BG9847 - waarin is neergelegd dat bij een dergelijk onderzoek vastgestelde cognitieve tekorten slechts dan relevantie hebben voor een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling wanneer zij - op basis van een medisch-specialistisch rapport - herleidbaar zijn naar objectief medisch vastgestelde stoornissen. In het geval van appellante is aan die voorwaarde niet voldaan.


5. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2009.


(get.) J. Brand.


(get.) T.J. van der Torn.


TM