Centrale Raad van Beroep, 11-12-2009 / 09-3004 WIA


ECLI:NL:CRVB:2009:BK6811

Inhoudsindicatie
Weigering uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA). Zorgvuldig medisch onderzoek. De Raad overweegt dat het Uwv ter zitting terecht heeft opgemerkt dat bij het door een verzekeringsarts te verrichten onderzoek in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de klachten van de betreffende verzekerde en een dergelijk onderzoek in die zin verschilt van een algemene medische keuring, bijvoorbeeld bij de aanvang van een dienstverband. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de vastgestelde beperkingen. Voor wat betreft het door appellant overgelegde advies van de GGD overweegt de Raad dat met de daarin genoemde klachten van het bewegingsapparaat reeds rekening is gehouden, gelet op de door verzekeringsarts Spanjer – naast de zojuist genoemde beperkingen ten gevolge van de knieklachten – aangenomen beperkingen ten gevolge van schouderklachten. Uitgaande dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is te achten, heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad genoegzaam toegelicht waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn te achten voor appellant. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat hij niet in staat kan worden geacht het voor de functie van brugwachter, sluiswachter vereiste diploma van Nautop 1 te behalen, omdat hij ten gevolge van de hersenvliesonsteking slecht zou kunnen leren. De Raad wijst erop dat blijkens de gedingstukken appellant ook na de hersenvliesontsteking in staat is gebleken diverse certificaten te behalen, met als laatste in 2006 de verlenging van het heftruckcertificaat.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-12-11
Publicatiedatum
2009-12-16
Zaaknummer
09-3004 WIA
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/3004 WIA


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 23 april 2009, 08/229 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 11 december 2009


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2009, waar appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. R. Abdoelhak.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Op 30 juni 2005 is appellant wegens voet-, enkel- en opnieuw oplevende schouderklachten uitgevallen voor zijn werk van schoonmaker treinwagons.


1.2. Bij besluit van 30 mei 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat geen recht op een uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat appellant na afloop van de voor hem geldende wachttijd op 28 juni 2007 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.


1.3. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 28 januari 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.


1.4. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op 28 juni 2007, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid – welke beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 april 2007 – maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 35%, namelijk 0,48%.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat zijn fysieke klachten zijn onderschat en dat hij door de combinatie van zijn klachten niet in staat is de geduide functies te verrichten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij (voor zover het zich laat aanzien: een gedeelte van) een ongedateerd GGD-advies overgelegd waarin wordt gemeld dat zware fysieke arbeid niet goed mogelijk is, terwijl voorts de psychische belastbaarheid beperkt wordt geacht. Tevens heeft appellant een bericht van de afdeling Radiologie van 11 juni 2009 overgelegd, dat betrekking heeft op zijn knieklachten. Voorts wijst appellant erop dat hij door de hersenvliesonsteking in 1978 slecht kan leren en dat hij derhalve betwijfelt of hij de cursussen, die voor de geduide functies nodig zijn, met goed gevolg kan afleggen. Ter zitting heeft appellant aan bovenstaande nog toegevoegd dat het onderzoek door de verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest, omdat deze heeft nagelaten hem volledig te onderzoeken.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1.1. De Raad heeft, evenmin als de rechtbank, in het dossier aanknopingspunten gevonden om te concluderen dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig is geweest. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat uit de rapportage van 13 april 2007 van de verzekeringsarts J. Spanjer blijkt dat diens onderzoek gericht is geweest op de door appellant ervaren klachten en de ten gevolge daarvan door hem ondervonden belemmeringen, zoals bij staan, lopen, schrijven, hurken, bovenhands werken en tillen. Naar aanleiding van hetgeen door appellant is aangevoerd, overweegt de Raad nog dat het Uwv ter zitting terecht heeft opgemerkt dat bij het door een verzekeringsarts te verrichten onderzoek in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de klachten van de betreffende verzekerde en een dergelijk onderzoek in die zin verschilt van een algemene medische keuring, bijvoorbeeld bij de aanvang van een dienstverband.


4.1.2. De rechtbank heeft voorts goed gemotiveerd waarom de omstandigheid dat de FML van 13 april 2007 is gewijzigd ten opzichte van een in 2003 opgestelde kritische FML evenmin leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit vanwege een onzorgvuldig onderzoek geen stand zou kunnen houden.


4.2. Voorts ziet de Raad evenals de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de vastgestelde beperkingen. Met betrekking tot de in hoger beroep herhaalde grieven van appellant dat zijn fysieke klachten zijn onderschat en dat hij door de combinatie van zijn klachten niet in staat is de geduide functies te verrichten, overweegt de Raad het volgende. In de FML van 13 april 2007 zijn diverse beperkingen aangegeven in verband met de klachten van appellant. Met de door de radioloog in de brief van 11 juni 2009 genoemde knieklachten is – zo blijkt uit de rapportage van verzekeringsarts Spanjer – rekening gehouden door beperkingen aan te nemen voor lang staan, lopen en veel traplopen. Voor wat betreft het door appellant overgelegde advies van de GGD overweegt de Raad dat met de daarin genoemde klachten van het bewegingsapparaat reeds rekening is gehouden, gelet op de door verzekeringsarts Spanjer – naast de zojuist genoemde beperkingen ten gevolge van de knieklachten – aangenomen beperkingen ten gevolge van schouderklachten. Met betrekking tot de in dat advies genoemde beperkingen van de psychische belastbaarheid overweegt de Raad in de eerste plaats dat het advies, gelet op een daarop door appellant gemaakte aantekening over zijn leeftijd, waarschijnlijk dateert uit 2003, zodat niet gezegd is dat de daarin genoemde beperkingen op de in geding zijnde datum 28 juni 2007 nog steeds bestaan. Hierbij is voorts van belang dat appellant in 2003 is gaan werken als schoonmaker treinwagons en daaruit is uitgevallen met fysieke klachten. Voorts is volstrekt onduidelijk op wat voor onderzoek de conclusies in het GGD-advies zijn gebaseerd. De Raad kan dan ook aan dit advies niet de waarde toekennen die appellant daaraan gehecht wil zien.


4.3.1 Aldus ervan uitgaande dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is te achten, heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad genoegzaam toegelicht waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn te achten voor appellant.


4.3.2. De Raad vermag voorts niet in te zien dat het opleidingsniveau van appellant ontoereikend zou zijn voor de geduide functies. De Raad kan in het midden laten of de door appellant gevolgde opleiding aan de school voor eenvoudig technisch onderwijs in Curacao door het Uwv terecht is gewaardeerd als opleidingsniveau 3, nu het Uwv slechts functies met opleidingsniveau 2 voor appellant heeft geselecteerd. Evenmin kan de Raad appellant volgen in zijn stelling dat hij niet in staat kan worden geacht het voor de functie van brugwachter, sluiswachter vereiste diploma van Nautop 1 te behalen, omdat hij ten gevolge van de hersenvliesonsteking slecht zou kunnen leren. De Raad wijst erop dat blijkens de gedingstukken appellant ook na de hersenvliesontsteking in staat is gebleken diverse certificaten te behalen, met als laatste in 2006 de verlenging van het heftruckcertificaat.


4.3.3. Hetgeen is overwogen onder 4.3.1 en 4.3.2 betekent dat de Raad van oordeel is dat het bestreden besluit op een voldoende arbeidskundige grondslag berust.


4.4. Uit het onder 4.1.1 tot en met 4.3.3 overwogene volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2009.


(get.) J.W. Schuttel.


(get.) D.W.M. Kaldenhoven.


TM