Centrale Raad van Beroep, 11-12-2009 / 08-5429 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BK6820

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. De Raad heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verzekeringsartsen de belastbaarheid van appellante hebben overschat. Naar het oordeel van de Raad liggen geen medische stukken voor die voldoende objectiveerbare medische onderbouwing vormen voor de eigen opvatting van appellante dat ze in het geheel geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft dan wel anderszins verdergaand beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Geen benoeming onafhankelijk deskundige. Uitgaande van de juistheid van de voor haar in aanmerking genomen beperkingen, moet appellante in staat worden geacht de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de bij de schatting betrokken functies.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-12-11
Publicatiedatum
2009-12-16
Zaaknummer
08-5429 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/5429 WAO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 juli 2008, 08/127 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 11 december 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft M.A.T. Huisman, verbonden aan Adviesbureau RiaHuisman te Leusden, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2009, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot en haar voornoemde gemachtigde. Het Uwv heeft zich daar laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante is werkzaam geweest als administratief medewerkster, aanvankelijk voor 38 uur per week en met ingang van 1 februari 1989 in verband met gezondheidsklachten 32 uur per week. Op 29 augustus 1989 heeft appellante zich ziek gemeld ten gevolge van een virale infectie.


1.2. In aansluiting op de wettelijke wachttijd, met ingang van aanvankelijk 28 augustus 1990, maar later – na onderkenning dat appellante was te beschouwen als een zogeheten medische afzakker – met ingang van 31 januari 1990, is appellante in aanmerking gebracht voor onder meer een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.3. In het kader van een herbeoordeling op basis van het aangepaste Schattingsbesluit is appellante op 24 april 2007 onderzocht door de verzekeringsarts A.J. Hoffman. De mogelijkheden en beperkingen van appellante zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 mei 2007. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige G. Rouwenhorst blijkens het rapport van 27 juni 2007 na functieduiding het verlies aan verdiencapaciteit van appellante vastgesteld op 19,97%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 28 juni 2007 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 28 augustus 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.


1.4. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal geconcludeerd dat er geen argumenten zijn van medische aard om het primaire belastbaarheidsoordeel voor onjuist te houden. Bezwaararbeidsdeskundige J.C.M. Horeman heeft vervolgens geconcludeerd dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd geschikt zijn te achten voor appellante, dat het maatmaninkomen niet correct was vastgesteld, maar dat een correct maatmaninkomen geen consequenties heeft voor de klasse-indeling: deze blijft 15 tot 25%. Bij besluit van 27 november 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 28 juni 2007 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft overwogen dat gelet op de geboortedatum van appellante – welke is gelegen na 1 juli 1959 – het Uwv op goede gronden het recht op uitkering van appellante heeft beoordeeld aan de hand van het per 1 oktober 2004 gewijzigde Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Voorts was de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts niet voldoet aan de vereiste zorgvuldigheid, terwijl de rechtbank voorts op grond van de medische stukken in het dossier geen aanleiding zag om te oordelen dat de (bezwaar)verzekeringsarts de belastbaarheid van appellante heeft overschat. Ten slotte zag de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de in de geduide functies voorkomende belasting niet valt binnen de belastbaarheid van appellante.


3. In hoger beroep heeft appellante haar in bezwaar en in eerste aanleg geformuleerde gronden herhaald. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante diverse brieven overgelegd van de behandelend sector.


4.1. De Raad komt niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. De Raad stelt zich in de eerste plaats achter het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid, dat geen aanknopingspunten in het dossier zijn gevonden om te concluderen dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig is geweest. De Raad voegt aan de overwegingen van de rechtbank nog toe dat hij het niet onzorgvuldig acht dat de (bezwaar)verzekeringsarts in het kader van de huidige herbeoordeling die plaatsvond in 2007 geen informatie heeft opgevraagd bij de huisarts over het in 1987 plaatsgehad hebbende auto-ongeval. Niet alleen is hierbij het tijdsverloop van belang, maar ook dat appellante in het verleden nimmer heeft aangegeven dat het Uwv hierover informatie bij haar huisarts zou moeten opvragen; het Uwv heeft er in het verleden dan ook mee (kunnen) volstaan informatie op te vragen bij specialisten die appellante behandelden in verband met haar chronische vermoeidheid, die door die artsen als Myalgische Encephalomyelitis (ME) of Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS) is gediagnosticeerd.


4.2. Met betrekking tot de medische grondslag overweegt de Raad, mede gelet op het verhandelde ter zitting, het volgende.

De verzekeringsarts heeft op basis van dossierstudie en zijn – in rechtsoverweging 4.1. voldoende zorgvuldig geachte – onderzoek van appellante haar, uitgaande van de diagnoses CVS en bekkenklachten, in staat geacht fysiek lichte werkzaamheden te verrichten. In overeenstemming daarmee zijn beperkingen aangenomen in de rubrieken 3, 4 en 5 van de FML. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van dossierstudie en hetgeen in bezwaar was aangevoerd het oordeel van de verzekeringsarts onderschreven. De Raad heeft, eveneens in navolging van de rechtbank, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verzekeringsartsen de belastbaarheid van appellante hebben overschat. De door appellante in hoger beroep overgelegde medische informatie, afkomstig van twee specialisten verbonden aan het CVS/ME Centrum Amsterdam, heeft geen betrekking op haar gezondheidstoestand op de datum in geding, doch op onderzoeken – en daaruit voortvloeiende bevindingen – die zijn gestart circa een jaar na de datum in geding. Naar het oordeel van de Raad liggen geen medische stukken voor die voldoende objectiveerbare medische onderbouwing vormen voor de eigen opvatting van appellante dat ze per de datum in geding in het geheel geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft dan wel anderszins verdergaand beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Het Uwv heeft naar aanleiding van de door appellante in hoger beroep overgelegde stukken terecht opgemerkt dat voor zover uit de stukken is na te gaan, er op en na de datum in geding geen cardiologische klachten bekend waren. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanknopingspunten ziet voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige.


4.3. De Raad verenigt zich eveneens met het oordeel van de rechtbank dat, uitgaande van de juistheid van de voor haar in aanmerking genomen beperkingen, appellante per de datum in geding in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de bij de schatting betrokken functies.


4.4. Hetgeen de Raad heeft overwogen in 4.1 tot en met 4.3 leidt hem tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad tenslotte geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2009.


(get.) J.W. Schuttel.


(get.) D.W.M. Kaldenhoven.


TM