Centrale Raad van Beroep, 08-12-2009 / 08-562 WWB + 08-5756 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BK6961

Inhoudsindicatie
Op basis van het medisch advies en een aanvullend werkadvies van Serin B.V. heeft het College aan appellant in zoverre ontheffing verleend van de verplichtingen ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB dat aan hem de verplichting is opgelegd actief te solliciteren naar werk gedurende 12 tot 16 uur per week. De Raad is met appellant van oordeel dat het College de door Serin B.V. uitgebrachte adviezen niet zonder nader onderzoek of nadere motivering aan zijn besluiten ten grondslag had mogen leggen (...).
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-12-08
Publicatiedatum
2009-12-17
Zaaknummer
08-562 WWB + 08-5756 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/562 WWB

08/5756 WWB



Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op de hoger beroepen van:


[appellant] (hierna: appellant),


tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2007, 06/4998 (hierna: aangevallen uitspraak I) en 1 september 2008, 07/4378 (hierna: aangevallen uitspraak II),


in de gedingen tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)



Datum uitspraak: 8 december 2009



I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.J.M. Kleiweg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft in de zaak 08/562 WWB een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2009. Appellant heeft, zoals tevoren bericht, vanwege een ziekenhuisopname geen gehoor gegeven aan de ambtshalve oproep om in persoon te verschijnen en zijn gemachtigde is evenmin verschenen. Het College - ambtshalve opgeroepen bij gemachtigde - heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant ontvangt sinds 1995 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2. Bij besluit van 14 juli 2006 heeft het College aan appellant in zoverre ontheffing verleend van de verplichtingen genoemd in artikel 9, eerste lid, van de WWB dat aan hem de verplichting is opgelegd om actief te solliciteren naar werk gedurende 20 uur per week. Het College heeft hiertoe besloten op grond van een medisch advies, een psychologisch advies en een aanvullend werkadvies, uitgebracht door Serin B.V. Bij besluit van 28 september 2006 (hierna: besluit 1) heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 14 juli 2006 ongegrond verklaard.


1.3. Na de opgave van appellant in februari 2007 dat zijn lichamelijke en psychische klachten zijn toegenomen heeft het College appellant aangemeld voor een nieuw onderzoek bij de keuringsinstelling Serin B.V. Op basis van het medisch advies en een aanvullend werkadvies van Serin B.V. heeft het College bij besluit van 27 juli 2007 aan appellant in zoverre ontheffing verleend van de verplichtingen ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB dat aan hem de verplichting is opgelegd actief te solliciteren naar werk gedurende 12 tot 16 uur per week. Bij besluit van 17 oktober 2007 (hierna: besluit 2) heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 27 juli 2007 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraken I en II heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraken.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB, zoals die bepaling luidde ten tijde hier van belang, is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:

a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik gemaakt wordt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder begrepen registratie bij de Centrale organisatie werk en inkomen indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op de arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.


4.2. Artikel 9, tweede lid, van de WWB biedt het College de mogelijkheid om in individuele gevallen tijdelijk ontheffing te verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.


4.3. Volgens vaste rechtspraak dient het bestuursorgaan dat met besluitvorming is belast ervoor zorg te dragen dat een zorgvuldig onderzoek wordt ingesteld naar de feiten en omstandigheden die de grondslag vormen voor het te nemen besluit. Indien, zoals in dit geval, voor het vaststellen van die feiten mede gebruik moet worden gemaakt van deskundigheid waarover het bestuursorgaan niet zelf beschikt, kan het zich laten adviseren door daartoe in te schakelen deskundigen. Het ligt dan op de weg van het bestuursorgaan dat van het advies gebruik maakt, zich ervan te vergewissen dat dit advies naar inhoud en wijze van totstandkoming voldoet aan de daaraan uit een oogpunt van zorgvuldigheid te stellen eisen.


4.4. De Raad is met appellant van oordeel dat het College de door Serin B.V. uitgebrachte adviezen niet zonder nader onderzoek of nadere motivering aan zijn besluiten ten grondslag had mogen leggen en overweegt daartoe het volgende.


4.4.1. In de rapportage medisch advies van 4 juli 2006 heeft de keuringsarts aangegeven dat de psychische klachten van appellant zijn verergerd. Hoewel de keuringarts heeft onderkend dat appellant onder medische behandeling is en medicatie gebruikt die past bij de aandoening, bevat de rapportage daarover geen informatie. Deze arts heeft geen informatie ingewonnen bij de behandelde sector, waartoe naar het oordeel van de Raad te meer reden bestond omdat appellant, zoals gerapporteerd, matig Nederlands spreekt. Op die wijze had deze arts kunnen vernemen dat de huisarts appellant in december 2005 heeft verwezen omdat appellant overspannen is geraakt nadat zijn echtgenote met hun drie kinderen plotseling naar Marokko is vertrokken en dat zij niet, zoals de rapportage psychologisch advies vermeldt, in 1994 appellant heeft verlaten. Voorts lag het naar het oordeel van de Raad in de rede dat de keuringsarts informatie had ingewonnen bij de behandelend psychiater om zich op de hoogte te stellen van de ten aanzien van appellant gestelde diagnose, de voorgeschreven medicatie en de aard en intensiteit van de behandeling. De Raad is van oordeel dat het


uitgebrachte advies van de door de keuringsarts geraadpleegde psycholoog daarin niet voorziet. Bovendien bevat dat advies slechts een summiere omschrijving van de psychische problematiek en klachten van appellant en merkt de onderzoekende psycholoog daarin enkel op dat hij niet de indruk heeft dat de psychische klachten van appellant erger zijn geworden.


4.4.2. In februari 2007 is appellant aangemeld voor een nieuw onderzoek in verband met toegenomen lichamelijke en psychische klachten. Blijkens het uitgebrachte advies heeft het uitgevoerde onderzoek bestaan uit een gesprek met de bedrijfsarts. Een lichamelijk onderzoek heeft niet plaatsgevonden. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen, heeft evenmin een aanvullend psychologisch onderzoek plaatsgevonden. Ook in de rapportage medisch advies van 8 juni 2007 is weergegeven dat appellant onder behandeling is van zijn huisarts en psychiater en passende medicatie gebruikt, maar het advies bevat daarover geen concrete informatie, terwijl opnieuw niet blijkt dat de keuringsarts informatie bij de behandeld artsen heeft ingewonnen. De Raad merkt op dat het besluit 2 ten onrechte vermeldt dat bij het medisch onderzoek door Serin B.V. in juni 2007 de behandelend fysiotherapeut, psychiater en neuroloog zijn geraadpleegd. Aan de omstandigheid dat appellant akkoord is gegaan met het door Serin B.V. uitgebrachte advies, zoals daarin aangekruist, hecht de Raad geen zwaarwegende betekenis, nu appellant het advies alleen voor gezien heeft getekend en hij tijdens een onderhoud in juli 2007 en in het bezwaarschrift uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij zich met het advies niet kan verenigen en zich volledig buiten staat acht om deel te nemen aan een traject of om te werken. De Raad is derhalve van oordeel dat ook dit onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is verricht, zodat de daarop gebaseerde gedeeltelijke ontheffing van de verplichtingen ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB niet naar behoren is gemotiveerd. Daarbij merkt de Raad nog op dat in de opgestelde functionele mogelijkhedenlijst bij de onderdelen waarop appellant beperkt is geen toelichting is opgenomen tot welke grens appellant belastbaar wordt geacht. Voorts is het de Raad opgevallen dat in het besluit van 27 juli 2007 en het besluit 2 niet tot uitdrukking is gebracht dat de keuringsarts voor appellant bij het deelnemen aan re-integratietrajecten intensieve begeleiding noodzakelijk acht.


4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat de besluiten 1 en 2 in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn genomen. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraken I en II dienen te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen gegrond verklaren en de besluiten 1 en 2 vernietigen. Het College dient een nieuw besluit op de bezwaren tegen de besluiten van 14 juli 2006 en 27 juli 2007 te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.


5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden in de zaak 08/562 WWB begroot op € 322,-- in hoger beroep en op € 644,-- in beroep en worden in de zaak 08/5756 WWB eveneens begroot op € 322,-- in hoger beroep en op € 644,-- in beroep voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal op € 1.932,--.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraken I en II;

Verklaart het beroep tegen de besluiten 1 en 2 gegrond en vernietigt die besluiten;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op de bezwaren tegen de besluiten van 14 juli 2006 en 27 juli 2007 neemt, met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.932,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in de beide zaken in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 290,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en R. Kooper en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2009.



(get.) R.H.M. Roelofs.



(get.) W. Altenaar.


DW